Woorden als behaagzieke handen

P.B. Gronda onderging een metamorfose om een ‘Amerikaanse’ roman te schrijven. Hij slaagde daarin – bijna.

Filmproducenten toonden al interesse – zo’n boek is Straus Park. De vertaalrechten zijn voor een bedrag ‘van vijf cijfers’ verkocht aan een Duitse uitgeverij die zich toelegt op ‘literaire Unterhaltung voor een breed publiek’. Dit moet P.B. Gronda’s doorbraak worden: er is een boektrailer tegenaan gegooid, het boek kreeg een internationaal klinkende titel en een omslag dat niet misstaat tussen de Amerikaanse mass-market fiction. En bovenal: de inhoud verraadt nauwelijks dat een Vlaming het schreef. Paul Baeten Gronda (1981), zoals hij op zijn eerste boeken heette, onderging voor Straus Park een metamorfose.

Hij lijkt Amerikaan geworden. Weg met de uitgebeende boeken die steeds compacter werden, weg met de venijnige humor – Straus Park is opgezet als serieuze Great American Novel, Bildungsroman en familieverhaal ineen. Het wil het persoonlijke verhaal vermengen met de wereldgeschiedenis, het individu ontstijgen én secuur zijn in introspectie en emoties. Het is opgetekend in zowel vloeiende dialogen als lange zinnen met beschrijvingen die uitwaaieren over bijzinnen en bijstellingen.

Hoofdpersoon is Amos Grossman, die sjeesde als student en zijn ouders verloor door een vliegtuigcrash, en nu al jaren ‘op pauze’ staat. Als telg uit een schatrijk Joods geslacht wentelt hij zich in het familiekapitaal. Met zijn erfdeel kocht hij zijn broers uit, om te kunnen blijven wonen in de familievilla aan Straus Park, in de Upper West Side van Manhattan – de habitat van de oude rijken.

Verwacht van Gronda geen kosmopolitisme à la Jay McInerney en niet het nihilisme van Bret Easton Ellis: hij zit daar ergens tussenin. De lol van het kopen van een Ferrari ‘omdat het kan’ is er wel af en een sociaal leven heeft hij niet. Amos’ leven vol leegte speelt zich af in de villa, tussen de oude kunst. Wat hem bezighoudt is zijn ‘seriële monogamie’. Eerst was er Farren, de vrouw die hij in een vlaag van onnozelheid trouwde, bezwangerde en verliet. Toen was er Alison, met wie hij al jarenlang niets meer dan een affaire heeft. ‘Naast het bed delen we eigenlijk niets,’ zegt Amos tegen zijn psychotherapeut.

Kunstcollectie

Hij komt weer op gang als hij de vrouw ontmoet na wie niemand anders meer zal komen. Gronda’s openingshoofdstuk beschrijft een intens, eenmalig moment van opgeluchte, woeste seks: ‘Ze beet zich niet in zijn huid vast om lief te hebben, maar om hem te slachten.’ Dat dramatische voorschotje op wat komt geeft de roman een plot. De vrouw is Julie, een Britse die ‘onderzoek’ doet naar de verspreiding van Europese kunst in de Verenigde Staten. Ze komt voor de kunstcollectie van de Grossmans, maar meteen knettert het tussen Amos en haar. Ze spreken vaker af.

Behalve Amos’ voorgeschiedenis toont het eerste van de drie delen van Straus Park hoe Julie langzaamaan beweging brengt in zijn zielenleven, en hoe ze om elkaar heen cirkelen zonder aan elkaar toe te geven. Ze praten veel, waarbij ‘woorden dienst deden als behaagzieke, grijpende handen’. Amos is angstig voor wat ze bij hem teweegbrengt én Julie heeft thuis in Londen een verloofde –, maar aan het einde van het eerste deel zijn we terug bij af. Amos is ondertussen uit de tekst verrezen als een introspectief, interessant veelkantig personage. Gronda tekende hem en de liefdesrelatie secuur, zonder in zijn brede verhaal uit het oog te verliezen waarom het draait.

En dan schakelt hij , in het tweede deel, naar een compleet ander verhaal, dat zijn zwaartepunt kent in het Amsterdam ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Daar woont Charlotte Stein, Amos’ latere grootmoeder, een Joodse vrouw die vluchtte uit Duitsland en een valse identiteit aannam. Ze krijgt een affaire met een nazi-ambtenaar en gaat collaboreren met de bezetters. Ze verraadt wie rijkdommen heeft achtergehouden, om een rookgordijn op te trekken voor haar eigen bedrog. ‘De oorlog was niet langer helemaal tegen haar gericht, ze zat ergens in het apparaat dat hem bestuurde,’ schrijft Gronda, en meer dan die goed getroffen zin heeft hij niet nodig om Charlottes motieven te tekenen. Weer laat Gronda geen steken vallen – en hij laat, als we in het derde deel terug zijn in New York, de historische lijn en het hedendaagse overtuigend in elkaar grijpen en zet de eerdere gebeurtenissen tussen Amos en Julie in een nieuw licht.

Razernij

Maar waarom raakt dit verhaal dan niet echt? Straus Park is voor Gronda stellig de ‘grootste roman uit de eerste helft van mijn leven’ (waarover de op Gronda lijkende hoofdpersoon van zijn vorige, derde roman Onder vrienden schreef dat hij ‘klaarzat onder mijn vingertoppen’). Daarvoor heeft hij goed gekeken naar hoe je dat doet, een grote roman schrijven, en hij heeft het voorbeeld met verve nagevolgd. De plot zit gewiekst in elkaar, het leest soepel, de metaforen zijn vaak echt raak. Maar het voelt alsof Gronda andermans genre bedrijft: alsof hij zijn schrijversziel verkocht om te voldoen aan de verwachtingen van een boek als dit.

Dus ontbreken de humor en het venijn, Paul Baeten Gronda’s sterke punten. Dus zijn er veel zinnen gewoon, en maken die juist extra hongerig naar meer van de ook aanwezige pareltjes. En dus is alles mooi afgehecht, waardoor we dreigen voorbij te gaan aan die scène waarin Amos een ex van Farren in elkaar sloeg met een fles siroop – wat een onheilspellende razernij! En waarom krijgt hij op het einde precies dezelfde bloedneuzen als de nazi die zijn oma beminde? En waarom wilde Julie hem liever ‘slachten’ dan liefhebben? Gronda stapt over die grilligheid heen om zijn verhaal gladjes af te ronden. Straus Park is uitstekende Unterhaltung, maar met wat meer hoekigheid was het beter blijven hangen.