Het vage bouwen van nu

In de architectuur duren generaties een jaar of vijftien. Architectuurhistoricus Bernard Colenbrander stelde in 1995 stelde vast dat er een nieuwe generatie in de Nederlandse architectuur was aangetreden. In het boek (en de tentoonstelling) Referentie OMA liet hij zien dat jonge architecten van toen, zoals Willem-Jan Neutelings en de drie architecten van MVRDV, waren beïnvloed door Rem Koolhaas (1944) en zijn Office for Metropolitan Architecture (OMA). Wat ze met elkaar deelden, was een ‘conceptuele’ benadering van architectuur. ‘Door het analyseren van het programma van eisen voor een gebouw moet je tot een krachtig, eenduidig concept komen waarmee je het kunt maken’, zo vatte Willem-Jan Neutelings het ‘conceptualisme’ eens samen.

Nu, achttien jaar later, heeft Indira van ’t Klooster, hoofdredacteur van A10, het Nederlandse, Engelstalige tijdschrift voor Europese architectuur, de opvolgers van de Koolhaas-generatie bijeengebracht in Reactivate! Vernieuwers van de Nederlandse architectuur. FABRIC, ZOFA architecten, ZUS en DUS architects heten enkele van de 46 bureaus van de nieuwe generatie.

Veel van de jonge architecten die in Reactivate! aan het woord komen, hebben kort voor of na het uitbreken van de bouw- en architectuurcrisis in 2008 hun bureaus opgericht. De crisis, die de helft van de architecten hun baan kostte, heeft ze bescheiden gemaakt, zo blijkt. Ze weten dat ‘architectuur niet de kern der dingen is’, schrijft Van ’t Klooster. Daarom zijn ze bereid om zich bij particulieren die een huis willen bouwen of bij renovaties eerder op te stellen als begeleider dan als de geniale architect die een ‘icoon’ wil maken.

Maar hun bescheidenheid betekent niet dat de jonge architecten naast de telefoon zitten te wachten op een opdracht van een woningbouwvereniging. Omdat ze dan lang kunnen wachten, nemen ze zelf het initiatief door met ongevraagde studies over bedrijventerreinen te komen, of zelf projectontwikkelaar te worden. Ook werpen ze zich op zaken die niet tot het traditionele domein van de bouwkunst behoren. DUS architects zijn nu bijvoorbeeld bezig met het opzetten van nieuwe corporaties voor woningbouw en energielevering. Dergelijke initiatieven doen Van ’t Klooster opmerken dat de reactivistische architect ‘zich bezighoudt met wereldwijde problematiek vanuit een onafhankelijke positie’. Hij is niet alleen ontwerper, schrijft ze, maar ook ‘wel eens antropoloog, politicus, stedenbouwkundige en psycholoog’. Zo gaat de bescheidenheid van de jonge Nederlandse architecten op een merkwaardige manier samen met een ongekende pretentie.

In hun streven naar een betere, duurzamere en vooral ook socialere wereld onderscheiden de jonge architecten zich van de oudere, die wel eens ‘esthetische pragmatisten’ zijn genoemd. Maar voor hun nieuwe engagement hebben ze in Van ’t Klooster een buitengewoon slechte pleitbezorgster gekregen. Veel van de citaten uit haar interviews met hen zijn open deuren of nietszeggende algemeenheden. ‘Je hebt een systeem, maar werkt ook samen aan een platform’, zegt Michiel van Iersel bijvoorbeeld over zijn werkwijze. Kristian Koreman van ZUS zegt, alsof hij een grote ontdekking deed: ‘Als je een goed plan hebt, kan het werken.’ En Robert-Jan de Kort van De Kort van Schaik beweert, ook heel onverwacht, dat hij altijd ‘iets probeert te maken wat goed is voor de plek’.

Ook wemelt het in haar essays van de kreupele en onbegrijpelijke formuleringen. ‘Sinds de mens weet dat de aarde rond is en als zodanig als geheel te bevatten, drijft hij handel over de hele wereld’, schrijft ze in het essay ‘Het einde van de geschiedenis en een nieuw begin’. Hierin parafraseert ze moeizaam de opvattingen van een stoet hedendaagse denkers, sociologen en schrijvers, onder wie Bas Heijne, die ze hardnekkig Heine noemt. Elders laat ze de ‘landschapsarchitectuur reageren op het trage tijdsbestek’ en heeft ‘de samenleving een cyclusverloop die de landschapsarchitect goed past.’

Steeds weerkerend begrip in Reactivate! is ‘performatief’, het toverwoord van de nieuwe generatie. Lang laat Van ’t Klooster in het midden wat dit nu precies is. Pas tegen het einde van het boek legt ze uit dat in een ‘performatieve benadering de opdrachtgever niet zegt hoe hij iets wil bereiken, maar wat’. Maar juist deze omschrijving geeft je het gevoel dat er weinig nieuws onder de zon is. Tenslotte zei de opdrachtgever ook in de tijd dat de architectuur eerst en vooral bouwkunst was wat voor gebouw hij wilde laten maken en was het aan de architect om te bepalen hoe.