Economie moeten we overlaten aan de politiek

Wie mogen de grote economische beslissingen nemen: economen of politici? De macht hoort bij de politiek te liggen, vindt Marieke Blom. En dat is wennen voor beide partijen.

De kranten staan in deze tijden vol met aanbevelingen van economen: niet te snel bezuinigen (Centraal Planbureau dit voorjaar), op termijn juist extra bezuinigen (CPB vorige week) of volgend jaar al extra bezuinigen (De Nederlandsche Bank deze week). Het advies is meestal niet al te vrijblijvend bedoeld. Veel economen vinden dat als zij voorspellingen maken, politici hun aanbevelingen maar beter kunnen volgen.

Om dat te illustreren: vorige week schreven drie CPB-economen nog in deze krant hoe ze denken over het primaat bij economische beslissingen. Ze deden dat onopvallend en tussen de regels door, namelijk door te vertellen wat er gebeurt als het CPB géén economische effecten kan berekenen. Dat geldt bijvoorbeeld bij investeringen in de zorg, wetenschap en infrastructuur. Daarover zeggen ze: ‘Hier maken politici keuzes op basis van maatschappelijke voorkeuren’. In die gevallen zijn, met andere woorden, de politici de beslissers. Dit ene zinnetje laat ook zien hoe ze denken over alle gevallen, waar er wel economische voorspellingen zijn: dan is hun economische model doorslaggevend.

Maar politici mogen toch altijd beslissen? Over iedere euro belastinggeld die al dan niet de schatkist in of uit gaat wordt toch gestemd in de Tweede Kamer? Dat klopt in theorie. In de praktijk volgen politici echter, als dat kan, graag de economen en hun modellen, om meerdere redenen. Ten eerste: een uit te geven euro die ‘rendement’ oplevert (banen of economische groei) krijgt eerder politieke steun en draagvlak dan een euro waarvoor dit niet geldt. Politici zoeken immers argumenten om hun beslissingen mee te onderbouwen. Bovendien is het aantrekkelijk burgers zekerheid te bieden via de geleende objectiviteit van deskundigen; het komt betrouwbaarder over dan tegen de heersende – onafhankelijke en dus objectieve - mening van economen ingaan. En tenslotte: het begrijpen van de modellen – en hun onderliggende aannames – is het monopolie van een kleine groep politici. Voor hen geldt dat kennis macht is. Met de rekensommen van het CPB in de hand kunnen zij de besluitvorming naar zich toe kan trekken, en dat is voor hen wel zo gemakkelijk. En dus hebben de economen gelijk: hun voorspellingen zijn vaak leidend voor economische beslissingen.

Dat is jammer voor de wetenschap, zorg en infrastructuur die er in de modellen bekaaid vanaf komen. Echter, het is ook jammer bij beleid dat met de modellen wél doorgerekend kan worden. Denk hierbij aan keuzes over het begrotingstekort, de woningmarkt of de euro: zaken die mensen direct in de portemonnee raken. De modelmatige voorspellingen, hoe precies ze ook lijken, zijn namelijk niet zo betrouwbaar. Dat komt bijvoorbeeld doordat de modellen zijn gemaakt op basis van het verleden en op basis van tal van veronderstellingen. Daarbij nemen economen soms zelfs de vrijheid om een voorspelling uit hun model ‘handmatig bij te stellen’. Dat wil zeggen dat een onwaarschijnlijke voorspelling van het model door economen wordt aangepast. Op basis van ‘gezond verstand’. En dan is er tenslotte nog de echte wereld, waarin de raarste – niet gemodelleerde – gebeurtenissen plaatsvinden. Vandaar de steeds veranderende en tegenstrijdige voorspellingen en bijbehorende adviezen. Het daadwerkelijke economische effect van schijnbaar verstandige keuzes is onzeker. En door alle veronderstellingen ook niet zo objectief. Daarom kunnen economen het ook zo hartgrondig met elkaar oneens zijn.

Bovendien, zelfs als een economisch model perfect zou voorspellen, dan was het nog te beperkt – namelijk tot de economische effecten. De sociale, ecologische of culturele effecten bijvoorbeeld, passen natuurlijk niet in een economisch model. De modellen houden slechts rekening met een beperkt deel van de werkelijkheid, de economie. Maar ook economische beslissingen (begrotingstekort, euro, woningmarkt) hebben meer effecten dan alleen op de economische groei.

Wat is dan wel de gewenste situatie? Economen kunnen nog beter en meer kwalitatief aangeven langs welke lijnen ze redeneren over de effecten van beleid. Ze kunnen hun voorspellingen met meer terughoudenheid omschrijven als waarschijnlijkheden, en ook aangeven onder welke aannames of omstandigheden het anders kan lopen. Het vraagt van de rekenmeesters van het CPB – en van vele andere economen – een bescheidener opstelling: meer uitleggen en minder rapportcijfers uitdelen.

Politici kunnen op hun beurt deze informatie dan wegen, samen met de – niet minder belangrijke – voor- en nadelen uit andere maatschappelijke sferen zoals de cultuur of het sociale domein. Zij zullen vaker moeten durven uitleggen hoe ze een onzekere – maar brede – afweging maken op basis van hun eigen, beste inschatting. Voor beide groepen op z’n minst een uitdaging. Maar afgewogen keuzes ‘op basis van brede maatschappelijke voorkeuren’ zijn die moeite zeker waard.

Marieke Blom is econoom, werkte voor een bank en voor een politieke partij en is nu ‘Chef Geld’ bij De Argumentenfabriek