Waarom Kira Wuck de C. Buddingh’-prijs moet winnen

Kira Wuck (Foto Merlijn Doomernik)

Vier poëziebundels zijn genomineerd voor de vanavond uitgereikte C. Buddingh’-prijs. Springerige poëzie, verheven poëzie, muzikale poëzie en een bundel die hoog boven deze drie uitstijgt.

Wat is de definitie van poëzie? Een van de meest pragmatische en best hanteerbare antwoorden op deze vaak gestelde vraag is van de vroegere Amsterdamse hoogleraar Redbad Fokkema. ‘Een gedicht is een gedicht,’ zei hij, ‘als het er uitziet als een gedicht en is uitgegeven in Amsterdam.’ Alle andere definities zijn aanmerkelijk onpraktischer, dat moet gezegd. Meestal komen ze neer op variaties van de opvatting dat poëzie gemarkeerde taal is. Daarmee wordt bedoeld dat het bijzondere taal is, die opzettelijk afwijkt van alledaagse taal. Het is taal die wil opvallen, taal 2.0. Er is iets aan toegevoegd.

Vroeger was dat vorm. Poëzie was taal die geplooid werd naar een stramien van metrum en rijm. Maar ook voor vrije verzen, die vandaag de dag de norm zijn, geldt dat er wordt gezocht naar iets wat gewone spreektaal niet heeft. Ze willen dingen op een bijzondere manier zeggen. Ik moest aan deze definitie denken toen ik de vier bundels las die zijn genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs, de prijs voor het beste poëziedebuut van het afgelopen jaar. Ondanks het geringe geldbedrag dat eraan is verbonden (€1.200), is het een mooie en prestigieuze prijs met een lange traditie en een lijst laureaten waaraan elke debutant zijn naam wel wil toevoegen. De genomineerden van dit jaar formuleren alle vier op een manier die grote afstand creëert tot gewone, alledaagse taal. Maar ze doen dat alle vier op een andere manier.

De bundel Laten we mijn lichaam delen van Iris Brunia is een met veel wit romig opgeklopte collectie van niet meer dan achttien gedichten. Lange gedichten, dat wel. Zoals de titel al doet vermoeden, vormen de kleine geneugten en grote beslommeringen van intermenselijke relaties een voornaam thema. In veel gedichten komt een ‘ik’ voor die zich op allerlei manieren tracht te verhouden tot een ‘jij’. ‘Lepel je mijn kiwi mee uit, dan zijn we nog even samen.’

Wat de gedichten van Brunia intrigerend maakt en tegelijkertijd moeilijk te doorgronden, is een hoge mate van springerigheid. De afzonderlijke mededelingen zijn volslagen helder, maar hun samenhang is gelegen in het zwarte gat dat ze omcirkelen en dat niet wordt benoemd. Dit is een voorbeeld uit vele:

Hebben alle vogels hun nest, de winter valt
Haal de trekker over
Spijt heeft geen zin.
Ja dank de koekoek
Het lood moet gesmeed
koperen kraag langs de nek
We waren gedekt, sloten een medeplichtige in
Dit is het dan
Met – slash – tegen wil en dank schuld
Lelijk eendje strekt haar nek

Een andere manier die Brunia hanteert om haar taal bijzonder te maken en te verheffen boven de banaliteit van alledaagse spreektaal, is het veelvuldig gebruik van complexe filosofische reflecties, zoals: ‘Een parafrase van een fase / waarin alles alleen in mij bestond en keer op keer opnieuw begon zonder werkelijk / te beginnen, maar ik buiten wonder of verrassing toch alles veranderd wist.’ Of dit: ‘Zou ik de dingen die ik doe kunnen doen zonder schaamte, in de wetenschap / dat het jou – als het er op aankomt – niet werkelijk uitmaakt wat ik wel of niet laat // Ik vermoed dat het een geruststelling kan zijn’. Dit gefilosofeer overtuigt mij minder. Het is te abstract.

Verveling

Bijgeluiden van Henk Ester is een kloeke, strak gecomponeerde bundel waarin de kunst en het kunstenaarschap de belangrijkste thema’s zijn. Veel gedichten gaan over poëzie, dichters, musici en componisten: ‘Voltooiing en verveling liggen dicht bij elkaar. Repetities zijn / boeiender dan uitvoeringen, bijgeluiden krijgen een kans: / fluisterende musici, zuchtende dirigenten, passerend verkeer. [...] Muziek struikelt de wereld in. Het is niet anders.’

En Ester is niet van de straat en dat laat hij ook graag merken. We zijn nog maar net een paar gedichten onderweg of we zijn al gestruikeld over de namen van Wagner, Liszt, Cherry Duyns, Reinbert de Leeuw, Callas, Schwartzkopf, Galina Oestvolskaja en Spinoza.

De manier waarop Esters poëzie zich boven spreektaal wil verheffen is minder gelegen in de taal dan in de verwoorde opvattingen, visies en ideeën. Veel gedichten formuleren in precieze maar weinig opzienbarende bewoordingen een verheven gedachte over kunst en de wereld.

Wat goed in het gehoor ligt, is verdacht.
Melodieën creëren een mythe.
Zij verspreiden de leugen dat passie hetzelfde is
als een product, dat hartstocht en
enthousiasme te koop zijn,
dat er geen stroom is die doorgaat
als er een constructie overheen is gebouwd.
De stem van Perugia is nooit te koop geweest.

Ester wil veel. De ambitie spat van de pagina’s en dat mag ik wel, want zonder ambitie wordt het nooit wat. Minder overtuigend is zijn mededeelzaamheid. Hij staat college te geven, terwijl ik hem liever zou horen zingen.

De bundel Uitzicht is een afstand die zich omkeert van Bernke Klein Zandvoort is ondanks zijn bedrieglijk geringe omvang een copieuze maaltijd van lange gedichten met breed uitwaaierende regels boordevol beelden en klanken. Klein Zandvoort is een muzikale dichter. Zij laat haar taal klikken van alliteraties en gonzen van assonanties. Zoals in regels als deze, met al die open a’s: ‘vanaf de balustrade kijk ik in de kruin van een reusachtige varen / die zijn bladeren in lagen neerlaat’. Klinkende taal is gemarkeerde taal.

Daarbij zijn de gedichten uiterst ongrijpbaar. Het is zo goed als onmogelijk om te zeggen waarover ze gaan. Niet dat dat erg is. Poëzie hoeft niet per se ergens over te gaan op de manier waarop ambtsberichten of winstwaarschuwingen ergens over gaan. Ergens tussen de regels huist een vermoeden van betekenis. Veel gedichten hebben iets apocalyptisch’ of op zijn minst iets vaag dreigends:

laag voor laag ziet de fietser zijn dag voorbijtrekken
uit een grote scheur in de aarde
kwamen deze vulkanische inkapsels
naar boven zetten
een opgeslagen voetafdruk achter glas
tussen de vitrines de schoonmaakster die zwenkend
een zakje chips van de tijdschaal plukt
een ornament overtrekkende ganzen in het raam

Wat mij erg bevalt aan deze bundel is de compromisloosheid en de orakelende taal. Maar veel van de gedichten zijn te onpersoonlijk. Ze trekken een muur op van vaag dreigende beelden, terwijl ze te weinig hun best doen om daadwerkelijk te raken.

Bedrieglijk

Finse meisjes van Kira Wuck is verbluffend volwassen en voldragen voor een debuut. Het is een uitgebalanceerde bundel met scherpe, rake gedichten. De taal is soms bedrieglijk eenvoudig. Maar Wuck weet in drie simpele zinnen een waaier van betekenissen te creëren: ‘De laatste dag komt er iemand schaken / Je vraagt wie er een dood paard in je bed heeft gelegd / De man die tegenover je zit weet niet of hij je moet laten winnen’. Dat is geraffineerd.

De dood, het schaakspel dat de dood alleen verliest als hij laat winnen, het paard op het bord en in het bed, de dreiging van een dood paard in een bed, het stervende lichaam in een bed waaraan het sjorren is als aan een dood paard; in drie regels evoceert ze een universum. Haar manier om zich te verheffen boven de spreektaal is door de spreektaal te laten gisten met andere spreektaal die ervoor en erachter staat. Hoe beschrijf je de onbereikbaarheid en onafhankelijkheid van Finse meisjes? Zoals een goede schilder met drie verfstreken een portret maakt, zo zet Wuck de Finse meisjes in drie rake klappen neer:

Finse meisjes zeggen zelden gedag
maar zijn niet verlegen of arrogant
je hebt alleen een beitel nodig om dichtbij te komen

Dat is in al zijn bedrieglijke simpelheid bijzonder precies gezegd. Dat is poëzie.

Vier sterke nominaties, maar Wuck moet winnen. Zij steekt met kop en schouders boven de andere genomineerden uit, evenals boven heel wat gevestigde en gearriveerde dichters.

De C. Buddingh’-prijs wordt vanavond tussen 21.30 en 22.30 uitgereikt.

    • Ilja Leonard Pfeiffer