Waar moet je onmenselijkheid anders aan afmeten?

Kritiek op mensenrechten is mogelijk, maar berust ook weer op diezelfde mensenrechten, stellen Marcus Düwell en Rutger Claassen.

Terecht bekritiseerde Peter van Krieken afgelopen vrijdag de lange en ingewikkelde procedures in het vreemdelingenrecht. Die zijn inderdaad inhumaan. Maar is dat een kritiek op de mensenrechten?

Eerder is het omgekeerde het geval: lange procedures zijn, zeker bij vluchtelingen- en asielzaken, zelf een schendig van mensenrechten. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens formuleert niet voor niets het recht op een proces van ‘redelijke termijn’ als een mensenrecht. Als Van Krieken de inhumaniteit van procedures wil beoordelen zonder een beroep te doen op mensenrechten, dan zou hij andere criteria moeten noemen. Het kader van de mensenrechten maakt het juist mogelijk om deze criteria internationaal op een transparante manier te regelen.

Van Krieken klaagt dat de grondslag voor een geslaagde asielaanvraag steeds breder wordt en ook sociale en economische rechten omvat. Maar waar gaat het vluchtelingenrecht anders over dan over de belangen van vluchtelingen? Dat open rechtsbegrippen een rol spelen die om een casusgerichte afweging vragen, is nauwelijks te voorkomen. De wereld is helaas soms moeilijk. Men kan zeker niet afwijzen dat ook sociale en economische rechten in het asielbeleid een rol kunnen spelen.

Mensenrechten gaan terug op de menselijke waardigheid, die aan alle mensen eigen is, ongeacht waar zij wonen. De juridische garantie valt toe aan nationale, en soms regionale (zoals Europese) jurisdicties. Daarmee worden mensenrechten getransformeerd in burgerrechten. De status van buitenstaanders (niet-burgers) is precair. Idealiter worden hun mensenrechten gewaarborgd door hun eigen natiestaat en ontstaat een sluitend stelsel van bescherming. In de praktijk falen allerlei staten daarin. Dan rijst de vraag of andere staten moeten inspringen, en rechten toekennen aan niet-burgers. Dat dilemma gaat op voor Syrië, maar ook voor de vluchtelingen uit Afrika over wie Van Krieken schrijft.

Om dat ‘de mensenrechten’ te verwijten is pervers. Onze reactie kan meer of minder bescherming van deze burgers van elders zijn, dat is geen uitgemaakte zaak. Wij willen niets afdoen aan Van Kriekens suggestie dat Europa niet alle problemen van Afrika kan oplossen en grenzen aan zijn toelatingsbeleid moet stellen. De mensenrechten maken echter blijvend onderdeel uit van de te maken afweging. Mensenrechtenbescherming vereist zelf immers het bestaan van goed functionerende staten. Zonder jurisdictie – en dus zonder grenzen – kan er nooit enige bescherming van mensenrechten zijn. Precies dat maakt het lot van vluchtelingen, die tussen staten invallen, zo precair en de afwegingen zo lastig.

De onmisbaarheid van het mensenrechtenperspectief kunnen we inzien door ons de vraag te stellen hoe dergelijke afwegingen gemaakt moeten worden zonder mensenrechten. Van Krieken beklaagt zich over invloed van juristen en stelt dat juristen voorrang moeten verlenen aan andere disciplines die iets over migratie en asiel vertellen: economen, antropologen, sociologen.

Hier maakt hij een denkfout. Deze disciplines zijn primair beschrijvend en verklarend van aard, niet normatief. Zij kunnen ons wel vertellen hoe migratie verloopt, maar zij zijn er niet in getraind te beargumenteren hoe wij op migratie zouden moeten reageren. Die vraag is in laatste instantie aan de politiek, en overwegingen van recht en moraal spelen bij die politieke beraadslagingen hopelijk een belangrijke rol. Zo niet, dan zitten we met naakte machtspolitiek. Dat zou echt inhumaan zijn.

Marcus Düwell en Rutger Claassen zijn hoogleraar wijsgerige ethiek resp. universitair hoofddocent ethiek en politieke filosofie verbonden aan de Universiteit Utrecht en doen mee aan een NWO-project over mensenrechten en menselijke waardigheid.