Je moet je publiek keihard nemen

Regisseur Nicolas Winding Refn maakt duistere films vol bruut geweld Geen wonder dat de meningen erover verdeeld zijn Refn maakt films alsof hij seks heeft met zijn publiek: agressief en gewelddadig

Medewerker film

Alles wat je over Nicolas Winding Refn moet weten zit in het eerste kwartier van zijn tweede film Bleeder (1999). Dat speelt zich, zoals een groot deel van de verdere film, af in een videotheek in Nørrebro, een arbeidersbuurt in Kopenhagen. De camera glijdt en duikt in zachtrood licht over de schappen. Dit is Tarantinoland, want die begon immers ook zijn filmcarrière in een videotheek. En het is het domein van de ‘slackers’ uit de films van Kevin Smith en Richard Linklater, die karakteristiek cinefiele hangjongeren uit de jaren negentig die meer van film weten dan van het echte leven en bij voorkeur in filmcitaten met elkaar praten.

De in 1970 in Denemarken geboren en in de Verenigde Staten opgegroeide Refn is ook zo’n film-nerd. Een imago dat hij de laatste jaren met zijn zwartomrande retrobril zorgvuldig cultiveert. Net als bij zijn personage Lenny uit Bleeder is The Texas Chainsaw Massacre zijn lievelingsfilm. Maar hij houdt vooral van de snoeiharde misdaadfilms uit de jaren zeventig. En net zoals Lenny het aanlegt met Lea, maakte hij zelf de actrice die Lea speelde (Liv Corfixen) het hof.

Refn lijkt op veel van zijn personages: achter dat verlegen, zachtaardige uiterlijk schuilt een driftkikker die in blinde woede kan ontsteken. De scène in Bronson (2008, over de Engelse crimineel Michael Gordon Peterson) waarin de jonge hoofdpersoon een leraar met een tafeltje aanvalt is ook naar zijn eigen leven getekend: zijn opleiding aan de American Academy of Arts werd voortijdig afgebroken nadat hij een tafel naar een van zijn docenten had gegooid.

Kunst moet penetreren

Alles wat je over Nicolas Winding Refn moet weten gaat over film en vechtersbazen, over drift en beheersing, en hoe woede er in slowmotion gevaarlijker uitziet, al helemaal als je ook nog het geluid wegdraait, want als je echt boos bent klopt het bloed in je oren en hoor je ook niks meer. Belangrijk is ook dat hij licht kleurenblind is waardoor hij voor zijn films een strakke stijl en een contrastrijk palet kiest. En dat hij wel van een beetje controverse houdt. Dat na de jubelkritieken voor Drive (bekroond met een regieprijs in Cannes 2011) zijn nieuwste film Only God Forgives dit jaar in Cannes een stuk minder enthousiast werd ontvangen deert hem dan ook niet.

Kunst moet ‘penetreren’, vindt hij. In Cannes lichtte hij die seksuele metafoor verder toe: „Je ‘neemt’ je publiek, je overweldigt ze. En dan zijn ze boos, of gelukkig, of bedroefd of gefrustreerd, maar films maken is alsof je seks hebt met je publiek. Je moet agressief zijn. Gewelddadig.”

Refn doet nooit wat er van hem verwacht wordt. Na het succes van zijn debuutfilm Pusher (1996, over een drugsdealer) maakte hij Bleeder, en toen die film nog meer succes had, maakte hij nog twee Pusher-films. Maar Drive 2 is, ondanks druk van de Amerikaanse studio’s, geen optie: „Dat zou noch voor mij, noch voor de toeschouwers bevredigend zijn geweest”, vertelde hij in Cannes.

Geweld steeds aantrekkelijker

Geweld roept bij een filmpubliek altijd heftige emoties op. Geweld is er de laatste jaren steeds aantrekkelijker uit gaan zien. Misschien dat daarom Refn zijn geweldsfilms met seks vergelijkt, en teruggrijpt op oeroude Griekse tragedies en op de meedogenloze God van het Oude Testament. Refn: „Hij spreekt onze oerinstincten aan. Kunst moet die instincten ook aanspreken.”

Oeremoties in een strak gestileerd jasje. Dat is hoe de films van Refn zich aan ons presenteren. Ze dragen hun hart op hun mouw. Rauw. Bloederig. Kloppend. Alle inhoud is vorm geworden. In de moderne wereld ziet de ondoorgrondelijke God van de Bijbel er maar al te vaak als duivel uit. Daar maakt Refn vervolgens films over. Geen wonder dat die de geesten verdelen.

Met medewerking van Coen van Zwol