‘Hersenschade door koppen bij voetbal’

◯ Waar ◯ Grotendeels waar ◯ Half waar ◯ Grotendeels  onwaar ◯ Onwaar

De aanleiding

Voetbal houdt nooit op. Is de competitie net voorbij, spelen Jong Oranje en het Nederlands elftal alweer respectievelijk een Europees Kampioenschap en enkele oefenpotjes. Dat betekent bijna een jaar lang, op de korte zomer- en wintertstops na, veel koppen voor de profs. Toch duikt er om de zoveel tijd weer een bericht op dat koppen slecht is voor de hersenen. Afgelopen dinsdag nog. ‘Hersenbeschadiging door koppen’, stond er op de website van de NOS. Aanleiding was een Amerikaans onderzoek onder 37 amateurvoetballers. De deelnemers voetbalden gemiddeld al 22 jaar en hadden in het jaar voor het onderzoek tien maanden gespeeld. De veranderingen aan hun hersenen zouden vergelijkbaar zijn met die van patiënten met traumatisch hersenletsel. „Zo leken de hersenen van de meest frequente koppers op die van mensen met een hersenschudding”, aldus het bericht. Spelers die in een jaar vaker dan 1.800 keer een bal kopten, hadden volgens het onderzoek, gepubliceerd in medisch tijdschrift Radiology, bovendien een grotere kans om lager te scoren in geheugentesten.

Dat is nogal wat. Maar in het bericht stond ook dat eerder onderzoek geen verband had aangetoond.

Hoe zit het nu precies? Leidt veelvuldig koppen tijdens het voetballen tot hersenschade of niet? Next.checkt zoekt het uit.

En, klopt het?

De eerste keren dat berichten opdoken over hersenschade door koppen was naar aanleiding van onderzoek door de Nederlandse neuropsycholoog Erik Matser. Al begin jaren negentig waarschuwde hij voor geheugenverlies, concentratieproblemen en moeizame informatieverwerking bij voetballers die veel koppen. In een onderzoek vergeleek Matser de uitkomst van neuropsychologische tests bij 33 amateur-voetballers en bij 53 profspelers met die van 27 zwemmers en atleten. Bij plannings- en geheugentests scoorden de voetballers lager dan de zwemmers en atleten. Dit kwam niet door een lager opleidingsniveau: bij de voetballers lag dat gemiddeld iets hoger dan bij de controle-atleten. Bij de profvoetballers vond Matser een verband tussen hersenschade en de frequentie van koppen.

In een ander onderzoek voerde Matser neuropsychologische tests uit bij 84 Nederlandse profspelers . De uitkomsten relateerde hij aan de frequentie van het koppen tijdens wedstrijden. Vanaf de 1.000 kopballen per seizoen gold: hoe meer er was gekopt, des te groter bleek de vermindering van cognitieve functies.

Na promotie-onderzoek door Matser in 1999 vroeg de regering aan de Gezondheidsraad een advies uit te brengen over het beperken van hersenletsel bij sportactiviteiten. In dat advies, dat verscheen in 2003, werd al het bestaande onderzoek naar hersenschade als gevolg van koppen bekeken. De Gezondheidsraad concludeerde: „De weinige gegevens over mogelijk chronisch hersenletsel door veelvuldig koppen zijn niet eenduidig. De commissie ziet daarom vooralsnog geen reden om beperkingen op te leggen aan het koppen of om het gebruik van hoofdbescherming aan te bevelen.” Er waren ook onderzoekers die geen verband tussen hersenschade en koppen konden vinden. De raad adviseerde alleen om koptraining aan spelers onder de zestien jaar te schrappen. Reden hiervoor was dat de schadelijke invloed van koppen groter is naarmate de verhouding in massa tussen hoofd (kleiner bij kinderen) en bal kleiner is.

De Gezondheidsraad vond dat er meer onderzoek moest komen naar koppen door volwassenen. Dat is er sindsdien ook gedaan. Het belangrijkste was Amerikaans onderzoek in 2011 door het Albert Einstein College of Medicine. Daarbij werden 38 amateurvoetballers van gemiddeld 30,8 jaar oud onderzocht die al sinds hun jeugd voetbalden. De spelers die het meeste kopten tijdens trainingen en wedstrijden, bijvoorbeeld omdat ze centrale verdedigers waren, vertoonden hersenschade vergelijkbaar met mensen met een milde hersenschudding. De schade zou ontstaan vanaf 1.000 tot 1.500 kopballen per jaar. De meest koppende spelers scoorden ook het slechtst op tests waarbij het verbale geheugen werd getest. Dat betekent dat ze mondeling overgebrachte informatie slecht wisten te onthouden.

Volgens de onderzoekers was hiermee overtuigend aangetoond dat frequent koppen leidt tot hersenschade en achteruitgang van cognitieve functies.

Matser stelt op basis van dit onderzoek en het onderzoek waarnaar het NOS-bericht verwijst dat nu inderdaad wel kan worden gesteld dat het verband is aangetoond. Neurobioloog Dick Swaab stelt ook dat al deze onderzoeken „zwaar te denken geven”. Volgens hem „kun je er donder op zeggen dat veel koppen schadelijk is”. Swaab: „Het brein stuitert telkens tegen de andere kant van de schedel aan. Bekend is dat vele kleine trauma’s tot problemen als depressies kunnen leiden. Ik stel daarom voor dat mensen hun hoofd ergens anders voor gebruiken.”

Tegelijkertijd stelt Swaab dat het wetenschappelijke bewijs moeilijk te geven is. Daarvoor zijn twee groepen nodig die willekeurig bij een groep koppers en niet-koppers worden ingedeeld. Vervolgens moeten ze jarenlang worden gevolgd, waarbij ze zo min mogelijk andere activiteiten ontplooien die schadelijk zijn voor de hersenen. Dergelijk onderzoek is nog niet gedaan.

Conclusie

Uit diverse onderzoeken blijkt dat veelvuldig koppen tot schade leidt aan het brein. Definitief wetenschappelijk bewijs hiervoor is echter moeilijk te geven. Alhoewel waarschijnlijk waar, beoordelen wij de bewering daarom toch als niet te checken.