Een oude kunstenaar maakt de galerie beter

Groot in de jaren zestig of zeventig, en daarna vergeten. Lang was er weinig belangstelling voor actieve kunstenaars op leeftijd. Dat verandert snel. „Leeftijd is een waardeloos criterium.”

Nederland, Amsterdam, 9 april 2013 Nieck de Bruijn (rechts), en Martijn Dijkstra (galeriehouders) en Marinus Boezem, kunstenaar Foto: Merlijn Doomernik
Nederland, Amsterdam, 9 april 2013 Nieck de Bruijn (rechts), en Martijn Dijkstra (galeriehouders) en Marinus Boezem, kunstenaar Foto: Merlijn Doomernik

Als veertigplusser tel je in de kunst niet meer mee. Vijftien jaar geleden kwam Rob van Koningsbruggen tot die conclusie. Jarenlang was hij een gevierde, jonge kunstenaar geweest. Het regende uitnodigingen voor tentoonstellingen en verzamelaars en journalisten klopten regelmatig bij hem aan. Maar na zijn veertigste werd het stiller en stiller. In 1998 zorgde Van Koningsbruggen voor enige ophef door ansichtkaarten rond te sturen met de tekst: „In Nederland bestaan drie soorten kunstenaars: jonge, dooie en buitenlandse.”

Hoe anders is de situatie nu. De belangstelling voor kunst uit de jaren zestig en zeventig is groot. Vooraanstaande musea maken overzichtstentoonstellingen van kunstbewegingen uit die periode, verzamelaars en musea proberen hiaten in hun collectie te dichten door retrospectieve aankopen te doen, en de grootste en hipste galeries richten het vizier op het recente verleden. Het zijn kortom goede tijden voor oudere kunstenaars.

Zo wordt Rob van Koningsbruggen (nu 65) sinds enige tijd vertegenwoordigd door Willem Baars Projects. En meer jonge galeriehouders presenteerden recentelijk een kunstenaar die veel ouder is dan zijzelf zijn. Jorg Grimm vertegenwoordigt sinds kort bijvoorbeeld Ger van Elk (72). Pieter Engels (74) had in april bij Martin van Zomeren zijn eerste galerietentoonstelling in acht jaar tijd. En een derde conceptueel kunstenaar, Marinus Boezem (79), is opgepikt door Upstream, de afgelopen tien jaar de galerie in Amsterdam met het jongste programma van de stad. Eigenaar Nieck de Bruijn over die opmerkelijke stap: „De aandacht voor iconen uit de jaren zestig is een logische tegenbeweging. Het afgelopen decennium was het credo op de kunstmarkt: hoe jonger hoe beter. De hitte is nu uit de markt, er is behoefte aan bezinning en contemplatie, een wens om dieper na te denken over de kunstgeschiedenis. Tegelijkertijd groeide het besef dat leeftijd een waardeloos criterium is. Als werk interessant is, doet het er niet toe hoe oud de kunstenaar is.”

Guggenheim

Van Elk, Engels, Boezem en Van Koningsbruggen: vier kopstukken uit de Nederlandse kunstgeschiedenis die onderdak hebben gevonden bij vier veel jongere galeriehouders. Het is een ontwikkeling die in een breder perspectief te plaatsen is.

Internationaal is de belangstelling voor kunstenaars die furore maakten in de jaren zestig en zeventig al enige tijd groot. Het Guggenheim Museum in New York toonde dit voorjaar het eerste retrospectief in Amerika over Gutai, de invloedrijke Japanse kunstenaarsgroep. Hetzelfde museum komt volgend jaar met een overzicht van de Europese kunstbeweging Zero, waar in de jaren zestig ook diverse Nederlandse kunstenaars deel van uitmaakten. Op de Biënnale in Venetië is deze zomer een reconstructie te zien van When attitude becomes form, het geruchtmakende overzicht van internationale conceptuele kunst waarmee curator Harald Szeemann in 1969 in Bern naam maakte. Het werk dat Marinus Boezem, Ger van Elk en Jan Dibbets voor die expositie maakten, is in Venetië nu opnieuw te zien.

Ook het centrum van de internationale kunsthandel, New York, richt zich al een tijd op ‘comeback artists’. David Zwirner, een van de meest toonaangevende galeries ter wereld, opende onlangs zelfs een nieuwe galerie speciaal voor historische verkoopexposities. Op beurzen en veilingen is de ontwikkeling eveneens manifest. Blouin Artinfo, de Amerikaanse uitgever die marktontwikkelingen rapporteert, noemde eind april ‘herontdekte kunstenaars’ de „art market’s new darlings”.

Hoe ervaren de ‘herontdekte’ Nederlandse kunstenaars deze ontwikkeling? Ger van Elk, die onlangs voor een groot bedrag zijn installatie Hanging wall (1968) verkocht aan de belangrijke Franse verzamelaar François Pinault, zegt met een grijns: „Dat jonge galeriehouders nu gevestigde kunstenaars aan zich binden, is voor hun galerie misschien ook een bevestiging van kwaliteit, een stap in hun carrière.”

Marinus Boezem, wiens grote project Weather drawings uit 1969 in oktober door het Stedelijk Museum Amsterdam werd aangekocht, plaatst de belangstelling voor vroege conceptuele kunst in een groter verband: het verlangen naar een ander soort kunst. „Mijn generatie wilde van de werkelijkheid kunst maken. Kunst die je in je hoofd kan meedragen en waarvan je ’s avonds in het café al pratende een tentoonstelling kunt samenstellen. Ik krijg het woord ‘vroeger’ nauwelijks uit mijn strot, maar vroeger waren tentoonstellingen vaak proclamaties, gebeurtenissen waar discours over ontstond. De afgelopen decennia is kunst entertainment geworden en is er weinig discussie.”

Galeriehouder Martin van Zomeren las over Pieter Engels in een geschiedenisboek over de naoorlogse kunsthandel. „Ik vind zijn anti-kunst zo jong en vitaal. Zijn oudere werken zijn wat mij betreft weer actueel. Abstracte kunst is sowieso terug, in de schilderkunst en in de fotografie. Op Art Basel en ook elders zie je dat oudere kunstenaars uit de mottenballen worden gehaald.” Op Art Brussel verkocht Van Zomeren eind april werk van Engels aan Franse verzamelaars. „Jonge mensen die dachten dat het nieuwe kunst was.”

Laatste kans

Nieck de Bruijn van Upstream en Jorg Grimm van Grimm Gallery motiveren hun keuzes met een verwijzing naar de matige kwaliteit van conceptueel werkende jonge kunstenaars. Grimm: „Op eindexamententoonstellingen van academies viel me op hoeveel studenten dingen doen die Ger van Elk in 1971 al deed. Op zich is het niet erg als kunstenaars het wiel opnieuw uitvinden. Maar als Van Elk gewoon door Amsterdam fietst, waarom zou ik dan niet met het origineel gaan werken?”

Als een van de weinige Nederlandse galeriehouders is Willem Baars tevens kunsthandelaar. Hij is kunsthistoricus en heeft in zijn galerie vanaf het begin een mix van jong en oud gepresenteerd en op beurzen kiest hij er meestal voor moderne naoorlogse kunst. „Wat je nu in Amsterdam ziet gebeuren, is komen overwaaien uit New York en Londen”, zegt Baars. „Grote galeries als Gagosian zijn eind jaren negentig al begonnen met oudere kunst en het bestieren van nalatenschappen.”

Als je internationaal wilt meetellen, zegt Baars, moet je de primaire markt van de galerie die nieuw werk aanbiedt en de secundaire markt van de kunsthandel in elkaar schuiven. „Zeker in Nederland, als Christie’s straks net als Sotheby’s niet meer in Amsterdam veilt.”

De grote Nederlandse kunstenaars hebben het niet getroffen, stelt Baars. Volgens hem heeft het galeriehouders hier altijd ontbroken aan kunsthistorische kennis en handelsgeest. „Als Van Elk, Boezem en Van Koningsbruggen in Duitsland of Amerika waren geboren, zouden ze tot de internationale top behoren.” Nieck de Bruijn noemt nog een tamelijk prozaïsch argument dat een rol kan spelen. „Dit is natuurlijk ook de laatste kans om met deze generatie te werken.”

En wat zeggen de vier kunstenaars over hun leeftijd? Ger van Elk: „Leeftijd is voor mij nooit een issue geweest. Ik leef nu. Ik maak nu kunst.” Marinus Boezem: „Ik ben oud van jaren, maar niet van geest.” Pieter Engels: „Ik zit in een oud lijf, maar mijn geest is lenig.” In zijn eerste interview in vijf jaar tijd reageert Rob van Koningsbruggen met spot op de herwaardering: „Jong zijn is een ziekte.”