Opinie

Renske De alleronhebbelijkste

De klachtenfunctionaris was een vrouw waarvan je direct begreep waarom zij de baan had gekregen: haar stem was voorzichtig en ze beantwoordde elke blik met vriendelijk toegeknepen ogen en een warme glimlach. Ze was een susser, een blusser, een detox voor de verziekte sfeer. Zij zou het bemiddelingsgesprek gaan leiden – een vriend had een klacht ingediend over de kaakchirurg die hem had behandeld. Van te voren moest hij aangeven wat hij beoogde: meer in de hoek van een rechtszaak of eerder excuses van de arts? De vriend gaf aan dat het ook weer niet zo was dat per ongeluk zijn verkeerde been was geamputeerd, dus de inzet werd: een welgemeend ‘sorry’.

Vanaf het moment dat de arts aan tafel schoof, was duidelijk dat hier niet iemand boete kwam doen. De vriend zette zijn klacht nogmaals uiteen, waarop de arts opmerkte dat het jammer was dat er geen klachtencommissie voor moeilijke patiënten was – het startschot voor een felle discussie, vol verwijten als: „Ik dacht: dat moet een stand-up comedian zijn” (arts) en „U geeft nooit antwoord, u zou de politiek in moeten” (vriend). De klachtenfunctionaris zei af en toe iets als: „Oké, nou, als ik het goed begrijp, en corrigeer me als het niet zo is, wilt u vooral weten hoe u dit moment hebt erváren” – zinnen die wanhopig als een soort vuurbestendige deken over de oplaaiende ruzie werden gegooid. Na een tijd werd duidelijk dat dit niet meer over hun eerdere miscommunicatie ging: het was een kwestie van toegeven geworden. Van het schild laten zakken. Van inbinden. Van trots. De vriend gaf kleine voorzetten, maar het leek niet meer te gaan gebeuren – de arts antwoordde inmiddels slechts nog met ‘geen commentaar’. Tot, opeens, er toch iets veranderde: de chirurg begon op een andere toon te praten, nam een vriendelijker houding aan en gaf toe dat er dingen niet goed waren verlopen. Ogenblikkelijk veranderde de sfeer: opeens durfden beiden eigen fouten toe te geven, kwamen er kritische zelfreflecties en werden er zelfs grapjes en complimenten gemaakt.

Het was bizar – iedereen kent wel het gevoel van uitpraten na een heftige ruzie: dat kan zo bevrijdend zijn, zo’n opluchting, dat het lijkt alsof er iets chemisch gebeurt. Alsof alle negatieve energie plotseling wordt aangewend voor iets positiefs, en je er bijna high van wordt: „En je had helemaal gelijk: ik bén ook heel onredelijk en onhebbelijk! Ik ben de alleronhebbelijkste! Ik ben niet te doen! Ik ben zó gelukkig dat jij het met mij uithoudt!” waarna je het liefst gaat tongen of knuffelen of huilen van blijdschap.

Met je kaakchirurg is dat toch wat lastiger. Desondanks verlieten we de ruimte in die vreemde, intieme sfeer, en verwachtte ik half en half dat de een de ander nog zou uitnodigen om gezellig een keer op de koffie te komen.