Veel te jong, maar hij weet alles al

Wekelijks doet Japke-d. Bouma verslag van haar ontmoetingen met allerlei typen collega’s Deze week: de Jonge Hond Kwam binnen als stagiair, maar was na anderhalve dag al onmisbaar. Fuck de generatiekloof

Als iedereen er om vier uur doorheen zit, komt hij met een zak drop. Geen probleem zegt hij, om morgenochtend om 08.00 uur in Den Helder te zijn. Als het systeem compleet is vastgedraaid en niemand het meer weet, zegt hij ‘wacht even, op school doen we dan altijd zo’. En dan drukt hij op een knopje en gaat alles weer lopen, iedereen opgelucht.

Alles komt goed, als hij er is.

Dit is de Jonge Hond.

Type héél erg jong en de bescheidenheid zelve. Kan alles, kan altijd, en duikt overal op. Werkt lachend tachtig uur per week en gaat dan nóg mee bieren op vrijdag. Zegt nooit ‘ja maar’, maar doet gewoon wat hem gezegd wordt. En dan wordt het altijd beter dan je ooit gedacht had.

Hij kwam binnen als stagiair, maar was na anderhalve dag al onmisbaar en draait nu eenderde van de hele omzet. Doodeng natuurlijk, maar aan hem zal het niet liggen. Hij is altijd vrolijk, altijd eager, altijd paraat. Nieuwsgierig ook, maar dan op de juiste manier. Hij heeft altijd de beste oplossing, alles altijd al uitgezocht, maar komt daar pas mee als iedereen zijn zegje gedaan heeft.

Hij werd geboren toen jij je bul kreeg. Maar hij weet álles al. Je hoeft hem alleen nog grappige dingen te leren. Details. Geen structurele hopeloze systeemfouten, maar kleine dingen, leuke dingen, die makkelijk zijn uit te leggen. Dat hij niet zomaar tegen iedereen moet opspringen, dat hij niet zo hard moet kwispelen. Dat het soms wat meer moet, waar hij iets minder geeft. Dat hij gestructureerder moet werken. Dan luistert hij. En stuurt hij na een paar weken ineens een mail, dat hij zoveel van je leert en dat het zo leuk is om met jou te werken.

En dan schaam je je een beetje, omdat híj die mail eigenlijk verdiend had.

Jammer dat hij Seinfeld niet kent, en niet snapt waarom dat leuk is. Maar verder, fuck de generatiekloof. Je werkt met hem of er niks aan de hand is. Er ís ook niks aan de hand. Hij past in de kantoortuin alsof hij er altijd al was. Je vindt je eigen werk ook weer zo geweldig ineens, sinds hij er is. Want hij vraagt er allerlei dingen over en hij vindt alles interessant wat je zegt. Zijn grootste kracht: dat hij dat cynisme nog niet heeft. Dat hij nog niet alles kapot relativeert. Hij gelooft zelfs nog in het huwelijk.

Alles aan hem ademt die opwindende, wilde frisheid van de jeugd.

Het enige puntje: hij kan het niet alleen. Want ze buiten hem uit, schaamteloos, in nulurencontracten, schimmige zzp-constructies of andere middeleeuwse slavernijscenario’s. Jaren kan dat duren. Of ze willen hem temmen, terwijl hij juist moet worden vrijgelaten, uitgelaten, laat hem draven, kijk hem gaan.

En dus neem je hem een tijdje onder je hoede en zeg je af en toe ‘tot hier en niet verder’ tegen hemzelf, en tegen de slavendrijvers. En als hij het zelf kan, laat je hem los. En als hij dan 53 is en je zelf allang op de gepensioneerdenbingo komt, krijg je nog steeds die knipoog van hem. Je zag het in hem. Je mócht zijn mentor zijn.

Zoals ooit iemand dat ook voor jou was.