Opgeruimd staat netjes... ...of werkt dat niet zo?

Opruimen is niet hetzelfde als netheid, al wil het gezegde ons anders doen geloven. Er schuilt zelfs een zeker gevaar in die opvatting, betoogt Coen Simon.

Mijn dochter van bijna zeven zit naast me in de auto als ze haar geopende hand onder mijn neus duwt om haar nieuwste schat te tonen: een stukje roze plastic dat twinkelt in de zon. Ze heeft het gevonden op het schoolplein en van de juf mocht ze het houden. Ik zie geen schat, maar een roze scherf die duidelijk een splinter is van een of ander goedkoop gefabriceerd stuk speelgoed. Ik zie ook gevaar voor haar jongste broertje, dat alles nog in z’n mond stopt. En ik zie de onophoudelijke aanwas van troep die zij en onze oudste zoon in steeds grotere hoeveelheden ons huis binnenslepen: stenen, takken, schelpen, dopjes, wuppies, webbies, pennen, schriftjes, gummetjes, jojo’s, stickers en allerhande traktatietroep – naast natuurlijk het al bestaande arsenaal aan playmobil en lego.

Terwijl ik de auto start, zeg ik dat ik haar moet teleurstellen: het is echt heel mooi, maar je kunt het niet bewaren, daarvoor is het te gevaarlijk. Ze mag het thuis zelf in de vuilnisbak gooien. Het verdriet is groot, maar gelukkig van korte duur.

Er is mij veel aan gelegen dat onze kinderen goed leren opruimen, omdat ik uit eigen ervaring weet hoe lastig het is als je er niet goed in bent. Hoeveel dagen van mijn leven ben ik niet al kwijt geweest met het opzien tegen opruimen, het beginnen van een nieuwe ordening, van de administratie tot de zolder, van mijn gereedschapskist tot de stellingkast in de schuur. En niet in de laatste plaats van mijn bureauladen tot aan mijn digitale fotobestanden.

Vanzelfsprekend leren we de kinderen dat ze, voordat ze met iets nieuws gaan spelen, het andere speelgoed of knutselwerk opruimen. Maar was het alleen een kwestie van de juiste spullen in de juiste kast terugdoen, dan zou opruimen geen kunst zijn. Het lastigste van opruimen heeft zijn oorsprong al ver voordat de troep er is. Dat beseft ieder die wel eens een digitaal mapje aanmaakt aan het begin van een of ander nieuw project op zijn computer. Op dat moment moet de juiste orde gekozen worden, terwijl de ratio voor de toekomstige verzameling nog niet gegeven is. Hoe je verzamelt, is namelijk afhankelijk van de inhoud ervan, en die ontbreekt aan het begin nu juist.

De ladekast van Taine

Volgens de Duitse filosoof Hans Vaihinger (1852-1933) is dat een probleem waar ook elke taxonomische classificatie tegenaan loopt. In zijn recentelijk in het Nederlands vertaalde De filosofie van het alsof schrijft Vaihinger: „De indeling is slechts mogelijk op grond van de meest precieze kennis van de afzonderlijke dingen en de algemene trekken; anderzijds is die kennis op haar beurt weer afhankelijk van de indeling.”

Deze tegenstrijdigheid is volgens hem alleen te overwinnen door één kenmerk willekeurig als indelingsprincipe aan te wijzen, zoals ook Carolus Linnaeus (1707-1778) deed toen hij met de indeling van zijn botanische stelsel begon. Ook al is de hoeveelheid verschijnselen in werkelijkheid te overvloedig om onder zo’n principe te worden ingedeeld, het willekeurig gekozen kenmerk werkt wel alsof het het reële en toereikende principe is. De indeling op het aantal meeldraden en stampers brengt zodoende planten samen die naar innerlijke anatomische bouw en groei sterk uiteenlopen. „Niettemin levert dit systeem van 24 klassen en 117 rangschikkingen toch een groot voordeel op, namelijk dat de planten zich naar deze niet moeilijk te vinden kenmerken gemakkelijk laten bepalen.”

Dat onze indelingen nooit samenvallen met een natuurlijke ordening in de werkelijkheid wisten de taxonomen zelf overigens ook wel. De Franse filosoof Hippolyte Taine (1828-1893) zei in dat verband dat we ons tevreden moeten stellen met „een ladekast waarin we gemakkelijk terugvinden wat we willen beschouwen; meer hebben we niet te doen”.

Vaihinger trekt deze gedachte radicaal door in zijn filosofie van het alsof en laat zien dat al het menselijke begrijpen gebruikmaakt van zo’n alsof, waaromheen het begrip zich kan vormen. Al onze waarheden zijn uiteindelijk op deze ficties gefundeerd. Van het recht tot de mathematica. Kosmische bewegingen worden bijvoorbeeld begrepen door ze voor te stellen in de lege ruimte, wat een in zichzelf tegenstrijdig begrip is. Een lege ruimte treffen we immers in werkelijkheid nergens aan. „De grondbegrippen van de wiskunde zijn ruimte, preciezer lege ruimte, lege tijd, punt, vlak, preciezer punten zonder omvang, lijnen zonder breedte, vlakken zonder diepte, ruimte zonder inhoud. Al deze begrippen zijn ficties vol tegenstrijdigheden; de mathematica berust op een volledig imaginaire grondslag, en inderdaad op tegenstrijdigheden.” Maar het werkt, net als de ladekast van Taine.

Opruimen is fictie

Opruimen is begrijpen, en draait dan ook, zoals al het begrijpen, om fictie. Iedereen heeft zo zijn eigen verhaal om zijn boeltje te ordenen. Dat maakt het echte opruimen zo lastig: wie opruimt, herschrijft aan de zin van zijn leven. Mirjam Rotenstreich, de vrouw van schrijver A.F.Th. van der Heijden en moeder van hun verongelukte zoon Tonio, vertelde onlangs in het televisieprogramma College Tour dat ze na ruim twee jaar eindelijk in staat was het souterrain op te ruimen. „Het stond helemaal vol met spullen van Tonio, vanaf de luieremmer tot aan zijn collegedictaten. Alles is door mijn handen gegaan. Sommige dingen heb ik bewaard, een groot deel heb ik weggedaan.” De kleine ingerichte ruimte met enkele van zijn spullen die ze eraan overhield, is niet bedoeld als een getrouwe weergave van Tonio, maar wel een instrument waarmee ze grip krijgt op haar verdriet.

Maar ook als opruimen niet zo tragisch is, is het nog altijd meer dan wat we doen op de avond voordat de schoonmaakster komt. Opruimen is niet hetzelfde als netheid, al wil het gezegde ons anders doen geloven. Er schuilt zelfs een zeker gevaar in deze opvatting.

Het digitale tijdperk stelt ons in staat heel netjes heel veel te bewaren. Niet alleen de draden langs de plinten verdwenen door wifi, maar ook de schoenendozen vol losse foto’s, fotoalbums, boeken en cd’s verdwijnen gestaag in smetteloze harde schijven met een steeds grotere capaciteit, of nog netter: in ‘de cloud’. Door de illusie dat we niet meer hoeven weg te gooien omdat we alles netjes kunnen opslaan, maken we steeds minder gebruik van de fictie die onze troep ordent en ons leven zin geeft.