‘Met z’n allen de bal in de schieten’ kroezoe

Leroy Fer is de gangmaker van Jong Oranje. Een gesprek over straattaal, voetbalcultuur en zijn reserverol. „Ik straal geen negatieve energie uit.”

Leroy Fer (23) is de pater familias van Jong Oranje. Bij hem komt alles samen. Hij speelde bij FC Twente met Ola John en Luuk de Jong en kent uit de Feyenoord-jeugd de Rotterdamse delegatie en zijn beste voetbalmaatje Georginio Wijnaldum. Hij is neef van reserveback Patrick van Aanholt, althans: „Wij noemen dat neven, onze moeders zijn achternichten.” En hij is met 29 interlands voor Jong Oranje nog drie duels verwijderd van een record, dus hij heeft met bijna iedereen in de selectie wel eens de kleedkamer gedeeld.

Op het terras bij het spelershotel in Tel Aviv, spectaculair uitzicht over de Middellandse Zee, formuleert Fer bedachtzaam zijn gevoelens over zijn reserverol op het EK voor spelers onder 21 in Israël. Maar het gezicht opent zich als het typische cultuurtje van de vriendenploeg Jong Oranje ter sprake komt. Iedereen heeft een bijnaam. ‘Lerra’ zelf natuurlijk, maar ook ‘Keffa’ (Strootman), ‘Gini’ (Wijnaldum), ‘Klaas’ (Clasie), ‘Flo’ (Josefzoon), ‘Patta’ (Van Aanholt), ‘Mara’ (Van Ginkel) en zo verder.

Achter hem geeft bondscoach Cor Pot een interview aan een televisieploeg. „He Corro! Potta!”, probeert Fer. De coach geeft geen kik.

Fer lacht. De atletische middenvelder maakt geen deel uit van de basiself van Pot, maar was in zijn twee invalbeurten dwingend aanwezig. Wat heet: zonder zijn kopgoal in de blessuretijd van de eerste groepswedstrijd tegen Duitsland had Jong Oranje zich nu niet in totale ontspannenheid kunnen voorbereiden op de laatste groepswedstrijd vanavond tegen Jong Spanje en de halve finale van zaterdag. „Ik zal geen negatieve energie naar het team uitstralen. Je kan bij de pakken neer gaan zitten, maar een titel win je met zijn allen.”

De gangmaker Fer. Vrolijke vent met een tumultueus voetballeven. Toen hij aangaf Feyenoord te willen verlaten kreeg hij een rouwkaart toegestuurd waar hij zelf als de overledene was afgebeeld. Na een oefenwedstrijd stapte een boze Feyenoordfan zelfs dreigend op hem af. Dan afgelopen seizoen bij FC Twente: een knieblessure, een pijnlijke privékwestie die de publiciteit in werd gebracht en een mislukte transfer naar het Engelse Everton. „Dat is voor mij nu een gesloten boek”, zegt Fer.

Terug naar afgelopen zaterdag, een training in Jeruzalem. De gedragen stem van Fer buldert vrolijk door het lege Teddy-stadion, terwijl hij met zijn kenmerkende reuzenpassen van het veld loopt. Er volgt een onderonsje met de medewerkster van de reisorganisatie. „Oké, oké! No spang”, roept hij: maak je niet druk. Hoor ook het vocabulaire van ‘Gini’ Wijnaldum. Terwijl middenvelder Jordy Clasie met zijn 1 meter 69 op doel staat, schiet de aanvaller de bal „keihard in de kroezoe”, zoals hij het noemt. Wat?

Fer schiet in de lach. „De kroezoe, ja de kruising natuurlijk. Dat is Surinaams, als het goed is. Straattaal in ieder geval, zo gaat dat hier.” Hij lepelt desgevraagd nog wat begrippen op. Spitta, spits. Shoetoe, schieten. Kan iedereen meekomen met dit grootstedelijke equivalent van Papiamento? Marco Bizot en Nick Marsman, reservedoelmannen uit de provincie? Fer: „Ja, Bizot begint het ook te leren. En Nick Marsman zegt ook al fakka paps: ‘hoe gaat het jongen?’. Die jongens komen eigenlijk allemaal door.”

Mooi aan een onder-21 team, gerekend vanaf het begin van de kwalificatie voor dit EK, is dat iedereen zo’n beetje met hetzelfde bezig is. Fer legt uit hoe je de dag doorkomt: pokeren, filmpjes kijken op de laptop, spelen op de Playstation. Slapen. Af en toe een app-je de deur uit. Naar voetbalvrienden Jetro Willems en Jeffrey Bruma bijvoorbeeld, die afvielen voor de EK-selectie. Even naar het strand mag op gezette tijden, maar niet om in de zon te gaan liggen. Coach Pot: „Het is geen vakantiekamp, ook geen strafkamp.”

Zaterdag, op die training in Jeruzalem, valt de selectie in twee groepen uiteen. Links: de blanke jongens plus Ricardo van Rhijn, rechts: donkere jongens plus Clasie. Toeval, zegt Fer. Hij wil best erkennen dat er natuurlijk jongens zijn die elkaar meer opzoeken. „Maar iedereen kan uitstekend met elkaar opschieten.” Jong Oranje is een collectief, bezweert ook Pot. „Wij doen niet spastisch over wie waar gaat zitten of wie met wie op het trainingsveld staat. Als je er op gaat letten, is er altijd een verhaal. De ene keer zit er een donkere jongen bij drie blanken, dan weer omgekeerd. We hebben met assistent-coach Henk Fräser iemand die daar midden tussen zit. Hij volgt beter dan ik waar ze mee bezig zijn”, zegt de 62-jarige coach.

Leuke jongens dus, fijne groep. Getuige ook de groepsknuffels aan de zijlijn. Wie scoort, rent naar de dug-out, waar de doelpunten in ontwapenende saamhorigheid gevierd wordt. Fer deed het al twee keer. „Dat toont wel aan hoe hecht deze groep is”, zegt hij. En hij moet weer lachen. „Je moet toch met zijn allen die bal in de kroezoe schieten.”