Met stukjes vlees in de bloedzakjes

Nicolas Winding Refn maakt van geweld zijn handelsmerk. ‘Bloody’ Sam Peckinpah, Arthur Penn en Quentin Tarantino gingen hem voor.

‘Bloody Sam’ was de bijnaam waar regisseur Sam Peckinpah niet meer van afkwam na de release van de western The Wild Bunch (1969). De film staat te boek als een van de meest gewelddadige ooit gemaakt, vooral dankzij de finale: een shoot-out die in slowmotion de gruwelijke dood laat zien van de leden van de ‘wild bunch’, een tot de tanden toe bewapende bende outlaws die het in 1913 opneemt tegen de Mexicaanse dictator Mapache. Mapache beschikt echter over een mitrailleur en Peckinpah laat vanuit verschillende camerastandpunten gedetailleerd zien hoeveel dood en verderf dit indertijd moderne, watergekoelde machinegeweer aanricht.

Het was eind jaren zestig mogelijk om de zakjes bloed die acteurs onder hun kleren droegen spectaculair te laten ontploffen. Maar Peckinpah ging een stap verder dan de geruchtmakende gangsterfilm Bonnie and Clyde (1967), die in de climax in slowmotion doorboord werden door honderden kogels. Hij voegde ook stukjes vlees aan de bloedzakjes toe, die de impact van de kogels nog groter en realistischer maakten.

Peckinpah deed dit niet om te shockeren. Zijn gedetailleerde geweldscènes, ook die in het controversiële Straw Dogs, zag hij als correctie op de valse, want te schone manier waarop Hollywood geweld liet zien. Hij wilde daarentegen de bruutheid en het verwoestende effect van geweld tonen. De shoot-out van The Wild Bunch was bedoeld als catharsis, als loutering van de toeschouwer. Die zou zich na het zien van zoveel geweld wel twee keer bedenken alvorens een geweer ter hand te nemen.

Nicolas Winding Refn, de regisseur van Only God Forgives, deelt Peckinpahs geloof in de louterende werking van het zien van excessief geweld. In een interview zei hij: „Ik beschouw mijzelf niet als gewelddadig, maar ik heb zeker een fetisj voor gewelddadige emoties en beelden. Ik kan niet verklaren waar dit vandaan komt maar ik geloof dat het tonen ervan een manier is om deze dingen te bezweren.”

Met Bonnie and Clyde en The Wild Bunch, films die niet toevallig samenvallen met de versoepeling van de filmcensuur, begint het tijdperk van de actie- en horrorfilm die de toeschouwer niets bespaart. Door digitale effecten en geavanceerdere trucages kan vrijwel alles in extreem smerige details worden getoond. Het leverde het afgelopen decennium zelfs een nieuw subgenre op: de martelporno, met films als Hostel en de Saw-reeks.

Geweldsfilms leiden altijd tot morele verontwaardiging en maatschappelijke verontrustheid. Is er een verband tussen het zien van geweld in media en gewelddadige gedragingen? Deze discussie is zo oud als het medium film. Hoewel wij vroege horrorfilms als Dracula en Frankenstein of gangsterfilms als Scarface (de versie uit 1932) en Little Caesar nu tam vinden, was er in de jaren dertig veel debat over het smakeloze gehalte ervan. Dit moet Nicolas Winding Refn bekend in de oren klinken, hij is er sinds de vertoning van Only God Forgives in Cannes veel op aangevallen. Maar zijn verdediging is klassiek: we leven nu eenmaal in een gewelddadige samenleving, dus laat ik dit zien. Peckinpah deed in 1969 hetzelfde: hij legde een verband met de bloederigheid van de Vietnamoorlog.

Zulke statements zijn ver verwijderd van Tarantino’s postmoderne nouvelle violence. Die term kwam in zwang na Reservoir Dogs en Pulp Fiction en sloeg op Tarantino’s invloedrijke mengeling van zwarte humor, geestige dialogen en stripachtig geweld. Het leidde tot een eindeloze stroom aan actiefilms waarin geweld vaak iets om te lachen was. Maar na een decennium ironie doet geweld nu weer echt pijn. Het lachen is ons vergaan.