Kunst krijgt klein beetje geld terug van bezuinigingen

Het geld voor de musea en de Cultuurkaart van minister Bussemaker is geen extraatje. Het is weinig en wordt betaald van de bezuinigingen.

Na de grootscheepse bezuinigingen van het vorige kabinet moet het voor de culturele instellingen voelen als een warm bad: de strelende woorden van minister Jet Bussemaker (PvdA, Cultuur) over de waarde van cultuur voor de samenleving. Vooral de musea halen opgelucht adem: Bussemaker dwingt ze niet tot samenwerking, zoals de Raad voor Cultuur adviseerde. Ze moedigt ze aan.

En ze trekt daar zelfs wat geld voor uit. Tot 2017 2 miljoen euro per jaar, ter beloning van samenwerkende musea. En om de Cultuurkaart voor middelbare scholieren te behouden: 5 miljoen jaarlijks.

Cultuur is bij Bussemaker, sterker dan bij haar voorganger Halbe Zijlstra (VVD), verbonden aan die andere poot van haar ministerie, onderwijs. In beleidstaal heet dat: „Creativiteit en innovatie zijn voorwaarden voor de verdere groei van onze kennissamenleving”, zoals ze aan de Tweede Kamer schrijft.

Bussemakers toon is warmer dan die van Zijlstra, maar ze draait de bezuinigingen van 125 miljoen euro niet terug. Het geld dat ze nu beschikbaar stelt, komt bovendien grotendeels van de culturele instellingen zelf. De 2 miljoen euro voor de musea is nu nog wel echt extra, maar vanaf 2017 moeten de musea 2,5 procent inleveren om de beloningen voor samenwerking zelf te betalen.

Ook de Cultuurkaart blijft overeind met geld dat instellingen eerder moesten inleveren. Zijlstra liet de bezuinigingen op de cultuursubsidies een jaar eerder ingaan (al in 2013). Dat leverde 138 miljoen euro op, geld dat hij opzijlegde voor ontslagvergoedingen en andere kosten voor het opheffen van culturele instellingen. Uit die pot bleef 37,9 miljoen euro over voor de Cultuurkaart.

Van de bewindspersonen Cultuur vóór Zijlstra wilde eigenlijk alleen Rick van der Ploeg (Pvda, 1998-2002) de hele sector overhoop halen. Bussemaker heeft die ambitie niet. Maar ambitieloos is ze niet. Net als haar voorgangers wil ze de criteria veranderen voor subsidies. Zo wil ze niet alleen samenwerking laten meewegen, maar ook educatie en „het bereiken van nieuwe publieksgroepen”.

Het ideaal van cultuurspreiding en die wens voor meer educatie is allerminst nieuw. Beide bestaan al sinds het idee postvatte, in de negentiende eeuw, dat de verspreiding van cultuur een beschavende uitwerking op de samenleving heeft. De nieuwe, te winnen publieksgroepen veranderden wel. Zo moest eerst de arbeider naar het museum, om „de mens uit de massa te redden”. Het is een citaat uit een sociaal-democratische nota uit de jaren vijftig dat ver droeg: PvdA’er Hedy d’Ancona droeg de zin op een briefje bij haar op de eerste dag van haar ministerschap, in 1989.

Het was onder Aad Nuis (D66, van 1994-1998) dat kinderen nadrukkelijk doelgroep werden, want met beschaven kon je niet vroeg genoeg beginnen. In de periode daarna, onder Van der Ploeg, kwamen de Nederlanders van buitenlandse komaf erbij: cultuur dient ook om een gedeeld nationaal bewustzijn te creëren.

Bij Bussemaker zijn opnieuw leerlingen belangrijk, maar ook andere „nieuwe publieksgroepen”. In deze krant prees ze het initiatief van het Stedelijk Museum om alzheimerpatiënten rond te leiden. Ook is ze blij met het project van het Gemeentemuseum Den Haag en voetbalclub ADO om mensen uit achterstandsbuurten naar het museum te halen.

In haar brieven aan de Kamer is een echo te horen van de „creatieve industrie” waar Medy van der Laan (D66, staatssecretaris 2003-2006) op hamerde. Bussemaker vraagt niet van de musea, zoals Van der Laan deed, om ‘leukere’ dingen te doen („musea zijn saai, stoffig en te voorspelbaar”). Ook verwelkomt Bussemaker innovatie, terwijl Elco Brinkman (CDA, minister, 1982-1989) zich juist keerde tegen het verlangen naar vernieuwing. Volgens hem gebruikte de culturele elite het innovatiestreven vooral om de kloof met het grote publiek te vergroten.

Culturele instellingen hebben de neiging zich in hun subsidieaanvraag en beleid te voegen naar de verlangens van een bewindspersoon, zelfs al gaat die slechts indirect over de toekenning van subsidie.

Aan het „excelleren”, waar Ronald Plasterk (PvdA, minister van 2007-2010) om vroeg, zijn musea nooit toegekomen. Terwijl ze nog aan het uitvinden waren wat Plasterk bedoelde, moesten ze van zijn opvolger Zijlstra ernst maken met het cultureel ondernemerschap – waar Van der Ploeg eind jaren negentig al om vroeg. Voldoende eigen inkomsten zijn nu een drempel om in aanmerking te komen voor subsidie.