Gelooft u in kansen of in uw kaplaarzen?

Het eerste beeld vanuit de lucht is vredig. Het is ergens in het oosten van de Bondsrepubliek. In een rivierbocht. De reportage op de Duitse televisie van de watervloed laat een opgezwollen rivier zien. Bruinig water, ingebed in een groene omgeving. De zon schijnt. Onder normale omstandigheden oogt dit als een bescheiden stroom, geen rivier met de breedte van Maas of Waal. Dan valt een keten van witte stenen op. Nee, het zijn geen stenen. Het is een muur van zandzakken. De camera zwaait verder en dan zie je, in scherp contrast met die levenloze witte zakken, een keten van harde kleuren. Van kleuren die bewegen. Het blijkt een menselijke keten. Ze dragen gele, rode en anders gekleurde T-shirts. Je ziet de beweging. Zandzakken doorgeven. De dijk versterken. Huis en have redden.

In 2002 overviel een eens-in-een-eeuw-overstroming, een Jahrhundertflut, steden en dorpen in het oosten van Duitsland en Midden-Europa. Nu breekt een nieuwe vloed records. Een eeuw duurt steeds korter, constateerde collega Paul Luttikhuis vorige week. De schade nu is groter dan toen, zeggen Duitse experts.

De overstromingen zijn een bijtende waarschuwing: calamiteiten uit het verleden zijn geen geruststelling voor de toekomst. Is het eens in de eeuw, of eens in de tien jaar? Of zegt die kans eigenlijk weinig en moet je alle inspanningen en beleid richten op het voorkomen van (potentiële) schade?

Wie zich op de kans van een calamiteit verlaat, moet zijn kaplaarzen en zijn noodpakket in elk geval onder handbereik houden. Want het water is dichtbij. Een lezer maakte me afgelopen weekeinde attent op Méér!, een behartigenswaardig boekje met essays onder redactie van Marianne Thieme (Partij voor de Dieren).

In een van de bijdragen neemt Arjen Hoekstra, hoogleraar waterbeheer aan de Universiteit Twente, Nederland Waterland onder de loep. Hij memoreert dat bij de laatste toetsing (2011) maar liefst 33 procent van de waterkeringen niet voldeed. Dat de Nederlandse overstromingsnorm van eens in de 1.250 jaar betekent dat je een kans van 6 procent hebt dat het tijdens je leven gebeurt. En dat als het gebeurt, het zomaar een serieuze ramp is, omdat een tekort aan voorstellingsvermogen én een gebrek aan voorbereiding de norm zijn. En omdat het ‘moderne’ leven aan elkaar hangt van kwetsbaarheden (internet, stroom, aanvoer vitale grondstoffen vanuit het buitenland). En passant merkt Hoekstra op dat de kern van ons watergebruik in het buitenland ligt: bij de productie van landbouwproducten in het algemeen, met vlees als grootste slurper.

De verleiding om te geloven in kansberekening à la één vloed in honderd jaar is tot in de top van de samenleving gemeengoed. De kans op de kredietcrisis van 2008 was vrijwel nihil, maar toen de calamiteit daar was vielen machtige banken.

Toen de Tweede Kamer en kabinet na de internetkrach en de eerste pensioencrisis (2001-2003) nieuwe, veilige spelregels voor de pensioenen opstelden, was de norm: hooguit eens in de veertig jaar een calamiteit. Wat bleek? De details van de afspraken waren nog maar net afgerond of de volgende pensioencrisis was manifest. Deze crisis duurt inmiddels drie jaar en zet langzamerhand het gevierde Nederlandse pensioenstelsel onder water.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.