Een geschenk uit de hemel

In kamp Sobibor stierven in WO II duizenden Nederlandse Joden Archeologen doen nu onderzoek in de massagraven Van het blonde jochie David Jacob Zak is het naamplaatje gevonden

Verslaggever

David Jacob Zak – beter bekend als ‘Deddie’ – was geen typisch Joodse jongen. Hij had blauwe ogen en blond haar, dat hij netjes zijwaarts kamde. „In de oorlog had hij makkelijk kunnen onderduiken”, zegt zijn 74-jarige nicht Lies Caransa. „Door zijn uiterlijk had niemand acht op hem geslagen.”

Tot halverwege de oorlog woonde David met zijn ouders in de Amsterdamse Uiterwaardenstraat. Zijn vader was diamantair, zijn moeder huisvrouw.

Afgelopen weekend werd bekend dat twee archeologen een naamplaatje van Deddie hebben gevonden in vernietigingskamp Sobibor in Polen. De Pool en de Israëliër deden onderzoek bij een massagraf, toen zij twee meter onder de grond een metalen voorwerp zagen liggen. „Het is een handgemaakt naamplaatje met zwierige letters”, vertelt Wojciech Mazurek vanuit Polen. Mazurek en collega Yoram Haimi proberen al zes jaar de lugubere taferelen in Sobibor te reconstrueren.

De vondst is bijzonder, omdat weinig persoonlijke voorwerpen van slachtoffers bewaard zijn gebleven. Na de opstand van oktober 1943 – waarbij 365 gevangenen het kamp ontvluchtten – werden bijna alle sporen van de nazi-moordmachine gewist. Mazurek: „Wel vonden wij vorig jaar het naamplaatje van Lea Judith de la Penha, een meisje uit Amsterdam. De Nederlandse tv maakte na de vondst een reconstructie van haar leven. Lea was net zes toen ze werd vergast.”

David en zijn ouders vertrokken op 6 juni 1943 met een kindertransport uit Westerbork. Volgens nicht Caransa zijn ze op 3 april uit hun huis weggehaald en naar de Hollandsche Schouwburg gebracht, een voormalige deportatieplaats nabij dierentuin Artis in Amsterdam. Van daaruit werd het gezin naar kamp Vught vervoerd, waar het een maand verbleef.

Zelf kwam Caransa die derde april ook in de Hollandsche Schouwburg terecht. Omdat ze vier jaar jonger was dan haar 8-jarige neef, werd ze naar de crèche overgeplaatst. „In de korte tijd dat wij samen door het gebouw zwierven, was hij heel beschermend”, herinnert Caransa zich. „Het krioelde er van de mensen. Ik klom op het toneel en rende tussen stoelen door. Hij behoedde mij voor valpartijen en noemde mij ‘zusje’ – Deddie paste altijd op mij.”

Caransa overleefde de oorlog in de onderduik. Later hoorde zij dat haar neef en diens ouders direct na aankomst in Sobibor zijn vergast.

Wat betekent de vondst van het naamplaatje voor haar? „Ik beschouw het als een geschenk uit de hemel”, zegt Caransa. „Het voelt alsof zijn ziel voortleeft en hij na zeventig jaar nog altijd op mij past.”

Ze wil het naamplaatje in haar bezit zien te krijgen, vertelde Caransa deze week in Knevel & Van den Brink aan Martin van Rijn. Of de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wilde bemiddelen; de Poolse overheid had zich tot nu toe weinig coöperatief opgesteld. Dat wil Van Rijn wel. Hij zou in haar plaats niet anders hebben gehandeld, zei hij.

Het plaatje is voor Caransa het meest tastbare bewijs van het bestaan van haar neef. Hij droeg het voordat hij naar Polen werd afgevoerd, omdat zijn ouders bang waren dat hij de weg kwijt zou raken. Caransa: „Het was destijds gebruikelijk dat kinderen naamplaatjes droegen. Hij heeft het járen gedragen.”

Archeoloog Mazurek vermoedt dat Deddie het plaatje tot aan zijn dood om zijn nek droeg, omdat het door vuur is aangetast. Ook werd er as in de omgeving van het plaatje aangetroffen. „Het komt niet vaak voor dat we hier een voorwerp aan een gezicht kunnen linken.”

Mazurek en Haimi deden nog een andere ontdekking. Ze vonden een tunnel onder het kamp, die mogelijk werd gegraven door gevangenen die onder dwang moesten assisteren bij het vernietigingsproces. Verder trof het tweetal beenderen van zes skeletten aan. „En we hebben ook een kruik uit Leerdam gevonden”, meldt Mazurek. „En een tube Nederlandse tandpasta.” Er is volgens de archeoloog nog veel werk te verzetten.

    • Danielle Pinedo