Ik schrijf om te ontsnappen

Voor de Afghaanse cabaretier werd het leven pas echt leuk toen hij op het podium mocht staan. Over zijn jeugd – zo veel lelijks – praat hij liever niet.

verslaggever

Het leven van Dara Faizi begon toen hij 8 jaar was. Op de dag dat hij met zijn moeder aankwam op Schiphol. Over de tijd daarvoor, over zijn vader en familieleden die sneuvelden, over de vlucht, daarover praat hij niet.

Zo veel lelijks, zegt hij, voegt niets toe aan een gesprek.

Of misschien, zegt hij later, is hij er nog niet klaar voor.

Dara Faizi (24) is, voor zover hij weet, de enige Afghaanse stand-upcomedian en cabaretier in West-Europa. De tweede reprise van zijn eerste – lovend ontvangen – theaterconference is in aantocht, zijn tweede show zit in zijn pen.

Faizi zat erbij toen zijn moeder verhoord werd op Schiphol. De IND-medewerker zag dat hij verdrietig was, boog zich naar zijn bureaula en haalde er een lolly uit. Faizi: „Kind wordt verdrietig, geef ’m een chupa chup.” Faizi snapt dat zo’n proces een bepaalde mate van automatisering vereist. Je kunt je als IND-medewerker niet door al die verhalen laten meeslepen. Maar toch: „Het voelde als een fabriek waarin mensen werden goedgekeurd of afgekeurd.”

Faizi en zijn moeder wachtten hun vonnis af in het „kamp”, zoals hij het asielzoekerscentrum noemt. Na twintig dagen werden ze goedgekeurd. De staat wees hun een klein flatje aan in Ouderkerk aan de Amstel. Een eenzame periode, vertelt Faizi in zijn nog kale flat in Amstelveen – hij is net verhuisd. „Ik had mijn moeder om op terug te vallen, maar zij had niemand, zij kon nooit breken.”

Zijn moeder werd de belangrijkste persoon in zijn leven. „Ze is het thema in alles wat ik doe. Ze leerde me: wat er ook gebeurt, word niet zielig.” In het asielzoekerscentrum, te midden van Afrikanen en Serviërs die rechtstreeks uit een oorlog kwamen, maakte ze hem aan het lachen door dingen te zeggen als: waar zou het zwembad zijn? Zijn er ook excursies? Wat is het nummer van de roomservice? Dat zij vriendinnen maakte, een hbo-opleiding afrondde, bewees voor hem de kracht van een positieve houding. „Als je openstaat voor de buitenwereld, gebeuren er vanzelf goeie dingen.”

Op de basisschool in Ouderkerk aan de Amstel was Faizi de eerste donkere leerling en de eerste vluchteling. Hij kreeg vmbo-advies, want op het ‘witte’ vwo zou hij maar eenzaam worden. Beteuterd kwam hij thuis. Faizi: „Mijn moeder werd wóédend. Ze wist dat ik goed kon leren. Dus zij naar de basisschool, ruzie maken. Zes jaar later heb ik een kopie van mijn cijferlijst van het atheneum naar die basisschoollerares gestuurd. Kinderachtig, misschien, maar er is niets erger dan bij voorbaat afgewezen en uitgesloten te worden.”

En, was het een eenzame tijd op het vwo?

„Soms wel. Maar ik heb ook voordeel gehad van die Kinderen voor Kinderen-school. De kwaliteit van onderwijs was er heel hoog. Er lag veel nadruk op discipline en nauwgezetheid, eigenschappen die ik heb overgenomen. En hadden we in Amsterdam-West gewoond, dan had ik Afghaanse vriendjes gehad en minder snel Nederlands geleerd. Daarom ben ik voor spreidingsbeleid. In een wijk met studenten en yuppen kun je er best een paar Turken bij hebben. Echt leuk werd mijn leven pas na de middelbare school. Ik begon met stand-uppen en werd in de Amsterdamse comedyclubs door talent scouts opgepikt.”

Wanneer wist je dat je cabaretier wilde worden?

„Er was niet één moment. Ik begon met schrijven toen ik een jaar of veertien was. Nog niet met het idee: dit is een beroep. Ik experimenteerde, schreef observaties over mijn klas. En ja, ook over mezelf. Ik ontdekte dat ik anders was dan mijn leeftijdsgenoten. Ook al is er natuurlijk geen maatstaf voor menselijk leed – het is ook erg om gescheiden ouders te hebben, of een zieke oma. Als ik me rot voel, pak ik een blocnote en beschrijf ik de wereld. Alleen al door dat te doen, wordt alles gemakkelijker te behappen.”

Comedy als uitvlucht?

„Ja. Ik schrijf om aan de wereld te ontsnappen. In essentie is dat de reden dat ik met comedy ben begonnen. Want je moet best raar zijn om met een microfoon op een podium te gaan staan en te verwachten dat mensen lachen om wat jij geschreven hebt.”

Vond je dat niet eng?

„Mijn drang was vele malen groter dan mijn angst – hoe verlegen ik ook ben. Mijn omgeving was verbaasd toen ik ineens het podium opklom. Mijn moeder vond het een rare hobby, dat haar zoon een soort clowntje speelt. Ze vroeg zich af of ik ervan zou kunnen leven, en waarom ik geen advocaat werd. Maar de eerste keer dat ze kwam kijken, vond ze het heel erg mooi. Dat ik komend jaar mijn tweede reprise afsluit in de Kleine Komedie in Amsterdam, was voor haar het teken dat ik een stap heb gemaakt. Dat mijn naam, en dus ook de hare, daar op de gevel komt te staan.”

Jouw naam op de gevel betekent dat je geslaagd bent?

„Succes is maar een bijkomstigheid. Het is voor mij niet het grotere doel. Want dan is er nooit een einde. Er is altijd een grotere zaal of een betere recensie. Zo word je nooit gelukkig. Als werk het enige is wat telt, vergeet je dat je een leven hebt. Ik heb vrienden en vriendinnetjes verwaarloosd omdat ik met mijn eigen dingen bezig was.”

Blijft je Afghaanse achtergrond ook in je volgende show een thema?

„Nee, ik wil niet dat mijn publiek gaat denken: oh, dus dat is wat je doet. Het is net als met dat vmbo-advies: kun je eigenlijk wel méér? En net als toen ik begon met comedy en niemand vertrouwen in me had: ik heb geen kleinkunstopleiding gevolgd, en heb geen ervaring in het theater. Gebrek aan vertrouwen is altijd mijn uitgangspunt geweest. Maar ik heb dat nu omarmd, want het maakt me zó vrij. Lage verwachtingen zijn gemakkelijker te overtreffen dan hoge. Ik wil best eeuwig een underdog blijven. Nu ik meer zelfvertrouwen heb, durf ik dingen te zeggen die niet meteen goed vallen, zoals mijn kritiek op mijn eigen generatie. Hun gemakzucht, hun individualisme, het constant bezig zijn met hun eigen probleempjes. We zijn heel erg verzadigd.”

Maak je jezelf daar ook schuldig aan?

„Oh ja. Ook ik word chagrijnig als de taxi vijf minuten te laat komt. Of als het regent. Onze eerste wereldproblemen.”