Wel beweging, geen aardverschuiving in museumwereld

Musea krijgen een bonus als ze goed samenwerken. Op die manier wil minister Bussemaker de musea in beweging krijgen. De Raad voor Cultuur had haar geadviseerd dwang te gebruiken.

De Nederlandse musea moeten meer hun best doen om nieuw publiek te trekken. Ze moeten ook beter gaan samenwerken, om geld te besparen en mooiere tentoonstellingen te maken. Minister Jet Bussemaker (Cultuur, PvdA), wil de museumwereld in beweging brengen. Ze vindt dat er meer te halen valt uit de musea en hun collecties. Bijna 60 procent van de Nederlanders komt er nu zelden of nooit. Dat is slecht voor het draagvlak onder de subsidies. En van de 52 miljoen objecten in de rijksmusea ligt 95 procent in depots, niet zichtbaar voor het publiek. Meer onderling uitwisselen om mooie tentoonstellingen te maken ligt voor de hand, maar gebeurt veel te weinig.

Nog een probleem in de museumwereld is de verkoop van ‘overtollige’ objecten. Telkens zijn er incidenten, zoals bij Museum Gouda dat tot woede van andere musea een schilderij van Marlene Dumas liet veilen, en het Wereldmuseum in Rotterdam, dat de Afrikacollectie wilde verkopen. De regels zijn onduidelijk en worden niet altijd nageleefd.

Bussemakers voorganger, staatssecretaris Halbe Zijlstra (VVD), zag die problemen ook al. Hij meende dat de museumwereld maar eens grondig op de schop moest. Wellicht was er winst te behalen door musea te laten fuseren. In maart vorig jaar vroeg hij de Raad voor Cultuur om advies over een nieuw museumstelsel. Om ingrijpen mogelijk te maken, zegde hij alvast de overeenkomsten met de rijksmusea voor het beheren van de collecties per 2017 op.

De musea zagen de bui al hangen. Bij de bezuinigingen van 125 miljoen euro op de cultuursubsidies waren ze nog enigszins ontzien. Ze hoefden gemiddeld slechts 10 procent in te leveren, terwijl op bijvoorbeeld de podiumkunsten 30 procent werd bezuinigd. De musea waren bang dat de Raad met voorstellen zou komen die weer tot nieuwe bezuinigen zouden leiden. Ze vreesden dat de Raad musea zelfs tot fusies zou willen dwingen.

Om het advies van de Raad voor Cultuur voor te zijn, stelden de musea vorig jaar zelf een commissie in, die eind oktober met een eigen advies kwam, nog voor de Raad voor Cultuur klaar was. Voornaamste punt van deze commissie Asscher-Vonk: de musea willen best op vrijwillige basis veel meer samen doen. Dat was ook dringend nodig, aldus het advies, want vooral middelgrote musea hadden het moeilijk door de bezuinigingen bij gemeenten en provincies en door de teruglopende sponsorinkomsten wegens de economische crisis. Het advies somde veel voorbeelden op van musea die al samenwerken om kosten te besparen.

In december 2012 kwam het advies van de Raad voor Cultuur. Zoals verwacht pleitte het adviesorgaan voor een aardverschuiving. Het Rijk moest ‘kernmusea’ aanwijzen die zich zouden ontfermen over kleinere musea. Ze zouden verplicht ketens moeten vormen, waarin collecties en faciliteiten werden gedeeld. Wie niet wilde meedoen, zou minder of misschien zelfs geen subsidie meer krijgen.

Het Rijk zou over alle musea, dus ook de gemeentelijke en provinciale musea, de regie moeten nemen. Daar hoorde ook bij dat het Rijk een lijst moest opstellen van museumstukken in Nederlandse musea die het verdienen om beschermd te worden tegen verkoop. Zo’n ‘Kerncollectie Nederland’ zou een einde maken aan het geharrewar over de verkoop van voorwerpen uit collecties van musea in geldnood.

Zo kwam het dat Bussemaker, toen ze het stokje overnam van Zijlstra, twee tegenovergestelde adviezen kreeg. Al meteen bij de presentatie van het advies van de Raad van Cultuur zei de minister dat ze weinig voelde voor samenwerking onder dwang. Ze wilde samenwerken wel stimuleren. „Ik zie meer in het belonen van goede initiatieven dan in straffen.”

De museumwereld had zo effectief de dreiging van een harde ingreep geneutraliseerd. Al zal ook onder Bussemaker niet alles bij het oude blijven.

De minister trok de afgelopen maanden door het land om met directeuren, conservatoren en bezoekers van musea te praten. Ze wilde zelf zien hoe het er voor staat met de sector waaraan het Rijk jaarlijks 215 miljoen euro subsidie geeft. En ze wilde ideeën verzamelen voor haar brief aan de Tweede Kamer over de musea.

Ze probeerde bij elk bezoek snel door te dringen tot de kern van de problemen. Dat bleek bijvoorbeeld eind april, tijdens een rondetafelgesprek in Museum Volkenkunde in Leiden, over het verkopen van museumobjecten. Tijd om het museum te bekijken had ze niet. Ze opende het gesprek met te zeggen: „Ik wil een tipje van de sluier oplichten over mijn brief. Ik ben niet van plan om een Kerncollectie Nederland vast te stellen, zoals de Raad voor Cultuur voorstelt. Dat kost vooral veel geld en tijd. En het publiek heeft er weinig aan.”

De opluchting bij de aanwezige musea was groot. De directeur van de Nederlandse Museumvereniging, Siebe Weide, legde de minister uit dat de musea zelf al werken aan een methode om te toetsen of museumobjecten van nationaal belang zijn. „Het zou mooi zijn als die toets voor alle musea zou gelden”, zei hij. „Ook voor gemeentelijke en provinciale musea. Dan zou u hem in een wet moeten opnemen, want nu volgen de gemeenten een eigen protocol.”

Uit de brief over de musea die Bussemaker vandaag naar de Kamer heeft gestuurd, blijkt dat ze naar de musea heeft geluisterd. De Kerncollectie Nederland die de Raad wilde, komt er niet. Alleen als een museum concrete plannen heeft om objecten te verkopen, wordt er een commissie ingesteld die onderzoekt welke stukken van nationaal belang zijn, zodat ze beschermd kunnen worden tegen verkoop.

Ook het voorstel van de Raad voor Cultuur om musea te dwingen tot samenwerking in door het Rijk vastgestelde ketens, heeft het niet gehaald. Tijdens haar werkbezoeken zag Bussemaker wat de commissie Asscher-Vonk schreef: veel musea werken al vrijwillig samen. Zoals Slot Loevestein, dat door de bezuinigingen van het vorige kabinet bijna moest sluiten, maar open kan blijven doordat het samenwerkt met het Glasmuseum, Natuurmonumenten en het Waterschap Biesbosch.

Voor de uitwisseling van museumstukken is evenmin dwang nodig, concludeerde Bussemaker. Bij het Bonnefantenmuseum in Maastricht hoorde ze van de directeur dat hij kijkdagen in zijn depot organiseert voor conservatoren van andere musea.

Ook aan het bereiken van nieuw publiek wordt gewerkt. In het Utrechts Archief hoorde Bussemaker hoe dit archief, waar vroeger nauwelijks bezoekers kwamen, is veranderd in een plek waar schoolkinderen en gezinnen graag komen. Het draait succesvol mee in een samenwerkingsverband van Utrechtse musea. „Dat sterkt mij in het idee dat we samenwerking niet van bovenop moeten opleggen”, zei Bussemaker naderhand. Tijdens de werkbezoeken werd steeds duidelijker dat de minister veel meer voelde voor het advies van Asscher-Vonk.

De lobby van de musea heeft gewerkt: het tweede kabinet-Rutte laat de musea ongemoeid, ondanks de nadrukkelijke aansporing van de Raad voor Cultuur om deze kans te grijpen het museumbestel te wijzigen. „Een dergelijke ingrijpende besteloperatie komt in de regel maar eens per generatie voor en biedt kansen voor nieuwe accenten en duurzame ontwikkeling”, schreef de Raad hoopvol. Maar de minister heeft er geen oren naar.

Om samenwerking te bevorderen kiest Bussemaker voor vrijwilligheid en belonen, in plaats van dwang en straffen. Of de Tweede Kamer het daarmee eens is, zal duidelijk worden op 19 juni, wanneer de museumbrief wordt besproken.