Mogelijk een pil tegen posttraumatische stress

medisch redacteur

Een medicijn tegen het krijgen van een posttraumatische stress-stoornis (PTSS). Dat kondigen Amerikaanse onderzoekers aan in een publicatie die vorige week verscheen in Science Translational Medicine. Het zou moeten worden ingenomen kort nadat iemand een ernstig ongeluk heeft gehad, mishandeld is, een vuurgevecht heeft meegemaakt, of hulp heeft verleend bij een grote ramp. Misschien hoeft niet iedereen zo’n pil, maar is het voldoende als alleen mensen met een grote kans op PTSS een medicijnkuur nemen. Dat zijn mensen die eerder PTSS hadden, of waarbij de verhoogde kans vastligt in hun erfelijke code.

De revolutionaire aanpak – voorlopig is het slechts een voorzichtige belofte – komt voort uit onderzoek bij muizen en mensen. De onderzoekers hebben aangetoond dat een experimenteel medicijn bij muizen werkt. En bij mensen hebben ze aangetoond dat hetzelfde moleculaire mechanisme als bij muizen actief is tijdens PTSS. En dat er bij mensen een genvariant in dat moleculaire mechanisme bestaat die gevoelig maakt voor PTSS. Het medicijn (codenaam SR-8993) is oorspronkelijk ontwikkeld als middel tegen cocaïneverslaving. Het is nog niet aan mensen toegediend.

Posttraumatische stress is een ziekte die bij sommige mensen ontstaat na een ernstig trauma. Lang niet bij iedereen. Wezenlijk kenmerk van de ziekte is dat patiënten bedreigende situaties niet goed meer inschatten: een klein gevaar kan al heftige emoties opwekken.

Muizen werden ‘PTSS-patiënt’ gemaakt door hen twee uur lang met alle vier hun pootjes vast te binden aan een metalen kruis op een plankje. Daarna werden ze in stresstests vergeleken met niet-PTSS-muizen. De PTSS-muizen zijn veel angstiger. Bij onderzoek naar de genactiviteit in de amygdala (het hersencentrum voor emoties) bleek dat één gen duidelijk actiever is bij de PTSS-muizen. Dat gen maakt een eiwit, de NOP-receptor. Toen de PTSS-muizen het medicijn kregen dat de NOP-receptor stillegt waren ze veel minder angstig.

De onderzoekers keken daarna of bij mensen met PTSS ook die NOP-receptor belangrijk is. Dat is zo. Mensen met een bepaalde genvariant in hun NOP-gen hebben duidelijk minder kans op PTSS. Het idee dat een stof zoals RS-8993 ook bij mensen zal werken, wordt versterkt door de wetenschap dat aan de NOP-receptor morfine-achtige stoffen binden. Die kunnen ook het ontstaan van PTSS terugdringen.