Depressieve oudere leeft langer door therapie

Ouderen met een depressie die standaard-huisartszorg krijgen hebben een twee keer zo grote kans om in de negen jaar daarna te overlijden als leeftijdgenoten zonder depressie. Maar als de depressieve ouderen in de huisartspraktijk begeleiding kregen van een gespecialiseerde depressie-verpleegkundige of van een psycholoog daalde de sterftekans naar die van de niet-depressieve ouderen.

Het gaat om Amerikaans onderzoek en zorg van een Amerikaanse primary care arts, die wel vergelijkbaar is met zorg van een Nederlandse huisarts. De artsen die ‘gewone zorg’ gaven kregen wel een bijscholing voor het vaststellen en behandelen (met medicijnen en gesprekken, of eventueel doorverwijzen voor therapie) van depressie. De intensieve zorg gebeurde door depressiespecialisten die in de praktijk kwamen werken. Ze onderhielden contact met de patiënten en hun familie. En ze behandelden de depressieve patiënten volgens een strikt protocol, waarin onder andere staat hoe de medicatie moet worden aangepast.

Eerder was al beschreven dat de intensieve behandeling de patiënten minder depressief en hopeloos maakt. Eind vorige week verschenen in het British Medical Journal de lange-termijnresultaten van dit onderzoek onder ruim 1200 60-plussers. Voor het eerst, schrijven de onderzoekers, is hier nu het effect op de sterfte van de al of niet intensieve behandeling van oudere depressieve mensen beschreven. De depressieve mensen die intensievere zorg kregen stierven beduidend minder vaak aan kanker.