Advies terecht genegeerd

Het zou niet moeten, maar het is vaak duidelijk: adviescommissies denken dat ze neutraal zijn maar ze nemen de kleur aan van de geadresseerde bewindspersoon. Het advies voor een ander museumstelsel van de Raad voor Cultuur werd geschreven in antwoord op (toen) staatssecretaris Zijlstra (VVD). Die had uitgedragen dat de bezem door dat geld vretende rijksmuseumbestel (jaarlijks 215 miljoen euro subsidie) moest. Die bezem kreeg hij. Zo suggereerde de Raad bijvoorbeeld op onverbiddelijke toon musea tot fusie te dwingen. Het was aan het Rijk aan te wijzen wie met wie ‘kernmusea’ zouden vormen. Weigering zou leiden tot subsidieverlies.

Ook Zijlstra’s opvolgster, minister Bussemaker (PvdA), meent dat de museumwereld zich actiever moet opstellen. Maar in haar ‘museumbrief’ aan de Tweede Kamer legt ze het advies van de Raad grotendeels naast zich neer. Ze ging op toernee langs de instellingen, informeerde zich ter plekke en ziet weinig heil in de voorgestelde dwang en strafkorting.

Een gemiste kans, vond de Raad bij voorbaat al. Nu duurt het weer generaties voor er iets verandert. Maar je kunt iemand niet verwijten dat ze goed geluisterd heeft toen ze op informatie uitging, anders dan haar voorganger die van buitenaf makkelijk streng zat te doen. Zo bleek Bussemaker dat een flink aantal musea al samenwerkt en op originele manier: niet alleen met andere musea maar ook met andere instellingen. Hun iets opleggen zou vooral contraproductief werken. Dwingen leidt tot hakken in het zand. Beloning voor samenwerking op eigen initiatief levert dan meer op, al moeten grote musea die kleine musea redden ze niet onder de voet mogen lopen.

Overigens geeft Bussemaker er in haar brief wel degelijk blijk van dat ze de Nederlandse rijksmusea wil opschudden. Eigen inkomsten blijven van belang. Er moet niet alleen een groter, maar zelfs een diverser publiek worden bereikt. En er kwijnen veel te veel objecten in de depots. Die moeten de museumvloer op, zo niet in het eigen museum dan als bruikleen bij de buren.

Maar een Kerncollectie Nederland, waarin vastgesteld wordt wat erbij hoort (en dus ook: wat niet), komt er niet. Die is te duur. En te sturend, om niet te zeggen te star, zou daarbij kunnen worden opgemerkt. Inzichten over wat een cruciaal kunstwerk is, veranderen met de tijd en musea zijn levende instellingen. Bussemaker wil terecht alleen bij een concreet plan voor verkoop controle door het Rijk voorschrijven. Wordt nationaal belang vastgesteld dan gaat het feest niet door. Meer invloed zou hoogmoedig zijn.

Kunst bestaat als het gezien wordt. Nederland heeft groot belang bijzijn musea, en het publiek mist iets als het het mist. Dat is de ondertoon van Bussemakers brief.