Plastic op het menu

Milieu

Plastic verzamelt zich in rivieren en oceanen. Aan kleine stukjes hecht zich gif. Via vis belandt het weer in de menselijke voeding.

Een snoepzakje drijft in de Maas. En daar, een stuk piepschuim. Even later komt een PET-flesje voorbij. En een plastic aansteker. De Blauwe Reiger, een bijna 15 meter lange boot, heeft net de jachthaven van het Zuid-Limburgse dorp Eijsden verlaten en vaart nu op de rivier. In de volksmond heet die schoon te zijn. Niet dus. “Kijk eens naar die oever”, zegt ingenieur Gijsbert Tweehuysen. Her en der hangen stukken wit, blauw en zwart plastic folie in de bomen. Sinds een half jaar doet Tweehuysen met deze boot onderzoek naar plastic vervuiling in de Maas, in samenwerking met de Open Universiteit. “Het is viezer dan we dachten”, zegt hij. En al dat afval eindigt uiteindelijk zo’n 250 kilometer stroomafwaarts in de Noordzee.

De Europese Commissie heeft drie maanden geleden nieuwe, strengere regels voor volgend jaar aangekondigd om het plastic afval in de zeeën terug te dringen. De milieutak van de Verenigde Naties, de UNEP, betitelde de ophoping van plastic in ’s werelds oceanen twee jaar geleden tot een van de ‘meest dringende opkomende kwesties voor het wereldwijde milieu’.

Maar hoe schadelijk is al dat plastic in de oceanen nou precies? Voor welke diersoorten? En hoort de mens daar ook bij?

Het onderzoek dat de afgelopen decennia is gedaan, laat vooral heel veel variatie zien. Afhankelijk bijvoorbeeld van de plek waar je meet. De ene keer blijkt 55 procent van al het afval dat ergens in zee wordt verzameld uit plastic te bestaan. De andere keer is dat 90 procent. De ene keer vindt je vooral industrieel plastic – harde korrels van 4 à 5 mm in doorsnede die de grondstof vormen voor plastic producten. De andere keer vooral consumentenproducten – PET-flessen, dopjes, plastic tassen, snoepzakjes, wattenstaafjes, vislijnen, piepschuim. “Hoe groot het probleem exact is, valt heel moeilijk te zeggen”, geeft Tweehuysen toe. De oceanen beslaan 70 procent van het aardoppervlak, met verschillende dieptes, temperaturen, stromingen. Probeer daarin maar eens alles te volgen.

Constante sneeuw

Toch komt er wel een algemeen beeld naar voren, zegt marien bioloog Jan Andries van Franeker. Hij is onderzoeker bij Imares, het onderdeel van de Wageningen UR dat ecosystemen in zee bestudeert. “Duidelijk is bijvoorbeeld dat veel van het plastic afval helemaal niet te zien is”, zegt hij. Het zweeft ergens in de waterkolom, of ligt op de zeebodem, naar beneden gedwarreld als onderdeel van de constante mariene sneeuw van zand, stof, ontlasting, en resten van dode dieren en planten. De UNEP houdt het grofweg op een verdeling van 20-10-70: 20 procent aan het wateroppervlak, 10 in de kolom, 70 op de zeebodem. Verder schat de organisatie dat zo’n 80 procent van het afval in zee afkomstig is van land.

Het meest vervuilde stuk oceaan ter wereld bevindt zich in het noordelijk deel van de Grote Oceaan. Daar zijn aan het wateroppervlak dichtheden gemeten tot maximaal 970.000 stukjes plastic per vierkante kilometer. Het gemiddelde bedroeg 335.000 stukjes per vierkante kilometer. Omgerekend is dat een stukje plastic op elke 3 vierkante meter. Is dat veel? “Dat hangt af van je norm”, zegt Van Franeker. Ingenieur Gijsbert Tweehuysen zegt hierover: “Het lijkt misschien niet veel, maar een vis of vogel die in zee jaagt kan dit aanzien voor een prooi en het opeten.”

Hoeveel dieren er als gevolg van al het plastic sterven, is lastig vast te stellen, zegt Van Franeker. De meeste dieren die op zee stikken in een vislijn of een net, worden ter plekke opgevreten. “Daar zie je nooit iets van terug.” En als je op een strand een dood dier vindt met plastic in zijn maag, hoe stel je dan vast wat de doodsoorzaak precies is geweest? Ook dat is lastig, zegt Van Franeker. Bekend is wel uit experimenten dat bijvoorbeeld stormvogels die plastic krijgen gevoerd, minder eten. “En dat verzwakt hen op den duur.”

De UNEP schat dat wereldwijd jaarlijks circa 100.000 dieren sterven als gevolg van plastic. Schildpadden, zeevogels, walvissen, dolfijnen, zeehonden. Weer de vraag: is dat veel? Jaarlijks sterven er bijvoorbeeld alleen al naar schatting 400.000 zeevogels omdat ze als bijvangst verstrikt raken in de kieuwnetten die vissers gebruiken, zo blijkt uit een deze maand gepubliceerd onderzoek in het tijdschrift Biological Conservation. “Ik vind 100.000 doden dieren schade genoeg om tot actie over te gaan”, zegt Van Franeker. Dat vindt ook Tweehuysen, die vroeger bij chemieconcern DSM heeft gewerkt als ontwerper van kunststofverpakkingen. “Ik heb het gevoel dat mijn plastics de oceanen vervuilen. Ik wil daar iets tegen doen.” Tweehuysen is daarom nauw betrokken bij het Mosa Pura-project van de provincie Limburg, dat in 2020 de Maas schoon wil hebben, van Eijsden tot Mook.

Van Franeker zegt dat het plasticprobleem de laatste tien jaar hoger op de politieke agenda is komen te staan. Vooral omdat er zorgen zijn ontstaan om de mens. Dat heeft te maken met de zogeheten microplastics, kunststof deeltjes van minder dan 5 millimeter. Aangetoond is dat microplastics kunnen worden opgenomen door plankton en uiteindelijk in bijvoorbeeld vissen en mosselen terecht kunnen komen. En daarmee in de menselijke maag, dus. De angst is vooral dat schadelijke stoffen, zoals pcb’s, pak’s of broomhoudende vlamvertragers, zich ophopen op plastic deeltjes, zich concentreren in de voedselketen, en uiteindelijk de menselijke gezondheid schaden.

Microplastics komen via twee routes in het milieu terecht. De afbraak van grotere stukken in kleinere. Dat gebeurt met name op stranden, onder invloed van zonlicht – de afbraak in zeewater gaat veel trager wegens de lage temperaturen. Daarnaast zijn microscopisch kleine plastics de afgelopen 10 tot 15 jaar bijvoorbeeld als microcapsules toegevoegd aan allerlei verzorgingsproducten – shampoos, tandpasta’s, crèmes, scrubs. Uitgespoeld en uitgespuugd komen deze microplastics in het riool terecht, en waterzuiveringsinstallaties filteren ze vervolgens niet helemaal eruit. Naar schatting 10 procent glipt erdoor, zo blijkt uit eerder dit jaar gepubliceerd onderzoek van de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Verder is aangetoond dat pcb’s en vlamvertragers zich inderdaad op plastic stukjes in zee kunnen ophopen. Ook is duidelijk dat vis, mosselen, vogels en andere dieren plastics, en ook microplastics, binnenkrijgen. Maar of de verontreinigingen zich vervolgens in vet- of spierweefsel van de dieren ophopen, en in welke concentratie dan, dat is amper onderzocht. “Dit staat nog in de kinderschoenen”, zegt Van Franeker.

Lantaarnvis

Een van de duidelijkste aanwijzingen tot nog toe dat verontreinigingen zich vanuit plastics in dierlijk weefsel kunnen ophopen, leverde een Japanse groep twee maanden geleden (Marine Pollution Bulletin, 15 april). In het buikvet van twaalf dunbekpijlstormvogels vonden ze diverse vlamvertragers. De meeste hadden ze via hun eten binnengekregen – lantaarnvissen en inktvis. Met uitzondering van twee stoffen. De onderzoekers concludeerden dat die direct van plastics zijn afgekomen. De concentratie van de vlamvertragers in het vet bedroeg tussen de 1 en 14 ng/gr vet, met één uitschieter van 186 ng/gr. Eerder zijn in bijvoorbeeld het spierweefsel van Noordse stormvogels pcb’s aangetroffen in soortgelijke concentraties. Dan gaat het wel steeds om vogels, en die staan niet op het menu van de mens.

Het zijn geen verontrustende cijfers, zegt Ruud Peters van Rikilt Wageningen UR, het Nederlands instituut voor voedselveiligheid. Hij heeft net een eerste verkennende literatuurstudie afgerond naar het mogelijk gevaar van verontreinigingen op plastics in zee voor de voedselketen. De concentraties die in de – nog sporadische – literatuur worden gemeld bedragen zo’n 10 procent van de sinds 2011 geldende Europese normen voor zeevoedsel, zegt hij. “Bij ons gaan er dus geen alarmbellen af.” Maar dat er totaal geen gevaar is, wil hij ook weer niet zeggen. Daarvoor is er gewoon nog te weinig onderzoek gedaan.