Musea met allure, maar met weinig geld

Nederlandse musea zijn voor 1,5 miljard euro verbouwd en uitgebreid. Maar nu de meeste prestigeprojecten klaar zijn om het publiek te ontvangen, drogen de subsidies op.

In april opende koningin Beatrix het nieuwe Rijksmuseum. Twee weken geleden opende ze als prinses het Museumkwartier in Den Bosch. Vorige week de Fundatie in Zwolle. En tussendoor ging een gerenoveerd Van Gogh Museum open. Het kan niet op bij de musea, zo lijkt het. En in september voegt het Fries Museum in Leeuwarden zich nog bij dit rijtje van museumopeningen in 2013.

Deze musea zijn de meest recente symbolen van een grote museumbouwhausse in Nederland. Sinds 1990 is er in Nederland op zijn minst 1,5 miljard euro uitgegeven aan nieuwe museumgebouwen en renovaties. Dat blijkt uit een inventarisatie van deze krant. Ruim veertig musea hebben nieuwe gebouwen of vleugels in gebruik genomen.

In schril contrast tot alle bouweuforie staan de bezuinigingen van het Rijk, provincies en gemeenten op hun cultuuruitgaven. En dus ook op subsidies aan musea, die zo de exploitatie van hun vernieuwde gebouwen lastiger rond krijgen.

Deze week zal minister Jet Bussemaker (Cultuur) in een Museumbrief duidelijk maken wat het overheidsbeleid voor musea de komende tijd zal zijn. De laatste Museumnota stamt uit 1976. Doordat musea niet onder één overheid vallen, maar verdeeld zijn over Rijk, provincie en gemeenten, heeft iedereen zijn eigen plan getrokken.

Alle nieuwe gebouwen, vleugels, atriums en koepels vormen zo een optelsom van de individuele ambities van museumdirecteuren, ministers, wethouders en gedeputeerden. Soms konden ze niet om een opknapbeurt van hun musea heen of voldeden die niet meer om grote tentoonstellingen te kunnen organiseren, het publiek goed te ontvangen of de collecties goed te bewaren in depots.

Maar de ambities zijn vaak groter. Nieuwe gebouwen of spectaculaire uitbreidingen moeten zorgen voor een groeiende toeristenstroom naar stad, provincie en land. De uitstraling van een topmuseum met nationale of internationale allure moet bovendien helpen bij het creëren van een gunstig vestigingsklimaat.

Die sterke drang tot verbouwen gaat in Nederland terug tot de jaren negentig. Elders in Europa en ook in de VS waren iconische museumgebouwen neergezet door sterarchitecten, die grote bezoekersstromen op gang brachten. Jaloers werd gekeken naar iconen in wereldsteden als Parijs met het Centre Pompidou (geopend in 1976) van de architecten Renzo Piano en Richard Rogers en de glazen piramide van het Louvre van de architect Ieoh Ming Pei (1989) of naar Londen met het Tate Modern (2000) in een door de architecten Herzog & De Meuron omgebouwde elektriciteitscentrale aan de Thames. Maar ook naar provinciesteden die investeerden in opvallende museumgebouwen, met als onmiskenbaar hoogtepunt het excentrieke Guggenheim van architect Frank Gehry, dat stromen toeristen naar de Baskische industriestad Bilbao bracht.

Dat wilden museumdirecteuren en politici in Nederland ook wel. Twee steden aan de rand van het land namen het voortouw begin jaren negentig om stoffige musea om te vormen tot trekkers van internationale allure. In Groningen werd door de flamboyante directeur Frans Haks met een gift van de Gasunie een kleurrijk museum neergezet tegenover het station, ontworpen door de Italiaanse vormgever Alessandro Mendini, met hulp van onder meer Philippe Starck. Na opening in 1994 werd het gebouw een attractie op zich die mensen naar Groningen trok: de eerste jaren meer dan 400.000 bezoekers per jaar.

In Maastricht kreeg in dezelfde periode de Italiaanse architect Aldo Rossi de mogelijkheid om een oud industriegebouw te transformeren tot een strak vormgegeven onderkomen voor het Bonnefantenmuseum met een zilverkleurige rakettoren als opvallend onderscheidingsteken. Na de opening in 1995 haalde het museum een bezoekersaantal van 200.000.

Maar zowel het Groninger als het Bonnefantenmuseum hielden die piek niet vast. Hun bezoekersaantal zakte binnen een paar jaar terug naar 200.000 voor het Groninger Museum en 100.000 voor het Bonnefanten.

Dat was een tegenvaller. Beide musea kwamen eind jaren negentig in financiële problemen en moesten voor steun aankloppen bij hun gemeente en provincie. Het Groninger Museum stevende twee jaar geleden opnieuw af op een faillissement, nadat het te hoge schulden was aangegaan voor een renovatie van bijna 6 miljoen euro binnen 15 jaar na de opening en het beleid van dure blockbustertentoonstellingen door tegenvallende bezoekcijfers niet meer voldoende opleverde.

Dat was een waarschuwing voor museumdirecteuren en politici die dromen van een internationaal topmuseum. Maar het optimisme blijft, hoewel het bezoekerseffect ook bij veel andere verbouwde musea tijdelijk is gebleken. Na een paar jaar ligt dat wel iets maar niet spectaculair hoger dan voor de verbouwing. In een groot deel van de periode van de bouwhausse is het totale bezoekersaantal van musea in Nederland nauwelijks gestegen, blijkt uit cijfers van het CBS. Het totale aantal bezoeken aan alle musea was in 2009 (het laatst gerapporteerde jaar) met 22 miljoen iets lager zelfs dan de 22,9 miljoen in 1993. Met de heropening sinds 2009 van lang gesloten publiekstrekkers als onder meer het Scheepvaartmuseum in Amsterdam (heropend in 2011), het Stedelijk (heropend in 2012) en het Rijksmuseum (eerder dit jaar) zal dat aantal nu vermoedelijk wel stijgen.

De musea hebben de bezoekers harder nodig dan ooit. Sponsoren springen in crisistijd niet in het gat dat de overheid heeft gecreëerd. Met vaak lagere subsidies moeten de musea nu hogere exploitatielasten (huur, energiekosten, meer beveiligingspersoneel) die zijn ontstaan als gevolg van hun uitbreiding zelf opbrengen.

Bezuinigende bestuurders roepen dat een nieuw, groter museum in staat moet zijn meer inkomsten te boeken, door meer betalende bezoekers te trekken en die in het museum meer uit te laten geven. Zo zijn bij veel verbouwingen het museumcafé en de winkel vóór de kassa geplaatst, in de hoop behalve bezoekers ook passanten tot uitgaven te verleiden. Het Stedelijk in Amsterdam kreeg toen het rond de opening vorig jaar klaagde over een forse bezuiniging van jaarlijks ruim 1 miljoen euro van de gemeente te horen dat het grotere museum toch meer zelf moest kunnen verdienen.

Net als andere musea ontkwam het Stedelijk niet aan kostenbesparingen. Het personeel is daarvan de dupe, bij het ene na het andere museum vallen er ontslagen. Juist ook onder conservatoren. Het gevaar is dat kennis over de collecties zo weg lekt.

Een adviescommissie van de musea constateerde vorig jaar al dat „in sommige gevallen wel is geïnvesteerd in gebouwen, maar niet of nauwelijks rekening gehouden is met de extra lasten die dit met zich meebrengt”. Deze commissie Asscher-Vonk vreest voor het voortbestaan van vooral middelgrote musea. Samenwerking is zowel in dit advies als in een advies van de Raad van Cultuur van begin dit jaar het toverwoord om door de moeilijke tijden heen te komen. In de brief van Bussemaker zal die samenwerking verder ingevuld moeten worden om te zorgen dat de mooie nieuwe gebouwen door een gebrek aan middelen geen lege hulzen worden.

Toch staat er nog een hele reeks van openingen op stapel, blijkt uit de inventarisatie. Toegenomen concurrentie van andere Nederlandse musea geldt dan als argument. Hedwig Saam, directeur van de Gemeentelijke Musea Arnhem, gaf zo eerder dit jaar in NRC Handelsblad het feit dat het huidige pand van het Museum voor Moderne Kunsten te klein is geworden als belangrijk argument voor een voorgenomen nieuw gebouw. „Om grote internationale exposities te kunnen tonen die een breed publiek aanspreken, zoals Museum De Fundatie in Zwolle, Het Valkhof in Nijmegen en het Drents museum dat nu kunnen, hebben wij meer ruimte nodig”, zei zij.

Maar Arnhem is ook een voorbeeld van een stad, waar een nieuw kostbaar museum op verzet kan rekenen. In een referendum half mei stemde een grote meerderheid van 85 procent tegen de plannen voor een nieuw museumgebouw. De bouw gaat waarschijnlijk toch door omdat de opkomst veel te laag was. De gemeenteraad beslist voor de zomer. De les uit Arnhem mag duidelijk zijn: het publiek overtuigen van de noodzaak van nieuwe, grotere musea wordt alleen maar lastiger.

Voor deze inventarisatie zijn gegevens opgevraagd bij de Rijksgebouwendienst, grote gemeenten en de musea. Verder is gebruik gemaakt van jaarverslagen, museumwebsites en publicaties in de media. Vooral van verbouwingen voor 2000 zijn vaak geen gegevens beschikbaar. Die zijn niet meegeteld in de 1,5 miljard euro.