'Leven is werken'

Alexander Ribbink werd rijk met TomTom. Nu geeft hij ‘extra handen’ aan de samenleving, zegt hij bij de sashimi. ‘Ik vind: als je kunt, dan moet je.’

Bob van der Vlist, Media: NRC Media, NRC Handelsblad, NRC Next, Doel: Lux Naam: Alexander Ribbink Plaats: Amsterdam
Bob van der Vlist, Media: NRC Media, NRC Handelsblad, NRC Next, Doel: Lux Naam: Alexander Ribbink Plaats: Amsterdam

Behoedzaam loopt Alexander Ribbink (49) over de glazen platen in het plaveisel. In de diepte onder zijn voeten liggen de kabels en katrollen voor de lift van de ondergrondse parkeergarage. Terloops zegt hij dat zijn dochter hem nu vast gevraagd zou hebben of je dood bent als je door het glas valt. Hij zou dan geantwoord hebben dat hij vermoedt van wel. Hij glimlacht. Zijn haar zilvergrijs, zijn jas gebroken wit, zijn huid sunkissed. We lopen naar het restaurant van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Alexander Ribbink is voorzitter van de Raad van Toezicht van het museum. Dat verklaart waarom hij daar wil lunchen. Het verklaart niet waarom we lunchen.

„Waarom ik?”, mailde hij toen ik hem een paar weken geleden uitnodigde. Nou, antwoordde ik, om allerlei redenen. Alexander Ribbink was een van de bestuurders van TomTom, de maker van navigatieapparatuur. Toen hij er in 2008 wegging, was hij 44 en rijk. In zakenblad Quote wordt zijn vermogen soms op 61 en dan weer op 85 miljoen euro geschat. Hoeveel het precies is, maakt niet eens zoveel uit. Waar het om gaat is dat hij nooit meer hoeft te werken. Maar dat doet hij wel. Hij is nu partner bij Prime Ventures, een investeringsmaatschappij die geld steekt in jonge technologiebedrijven.

Alexander Ribbink had een paarse Ferrari kunnen kopen. Wel twee. Maar dat deed hij niet. Hij werd bestuurder van de Turing Foundation, het goede doelenfonds van vriend en TomTom-oprichter Pieter Geelen. Daarin zit 100 miljoen, een deel van het geld dat Geelen verdiende met de beursgang van TomTom in 2005. Een deel van het geld gaat naar ontwikkelingsprojecten in Afrika, de andere helft komt terecht bij musea, orkesten, scholen en universiteiten in Nederland. Alexander Ribbink richtte met zijn deel van de TomTom-opbrengst een familiefonds op, samen met zijn vrouw Nienke. Als je even zoekt op internet, blijkt dat het fonds doneert aan ongeveer alle geledingen van de Amsterdamse samenleving. Plaatselijke sportclubs, Resto van Harte (gerund door psychiatrisch patiënten), dierentuin Artis.

Hij had dus best een bekende weldoener kunnen zijn, met een mooie plek in de schijnwerpers. Maar dat is hij niet.

Dus waarom hij? Nou ja, heel simpel, je wilt weleens weten wie de man is die overal opduikt, en toch onzichtbaar is. Leuke uitnodiging, schrijft Ribbink terug. Maar of ik misschien in het kort nog even uit kan leggen waarom ik denk dat dat interessant leesvoer oplevert?

Hard to get? Nee, dat is het niet. Want hij schrijft ook dat hij niet zit te wachten op complimentjes, en zijn ego hoeft niet gestreeld. Hij wil alleen even weten of mijn verwachtingen overeenkomen met wat hij bieden kan. Zakelijk. Bescheiden. Behoedzaam.

Hij laat zich overtuigen. Maar we zijn er nog niet. Tijdens de lunch zal hij meer dan eens zeggen dat hij nu iets gaat vertellen dat niet voor de krant is. En na afloop heeft hij een verzoek. Niet te veel over geld schrijven, want zo interessant is dat niet. Waar het om gaat is wat het met hem doet. Of liever: heeft gedaan. Tot hij, zeg, halverwege de dertig was, was zijn werkend leven niet heel anders dan dat van andere mannen. Opgegroeid in Amstelveen, vader advocaat, moeder huisvrouw, één broer. „Een gewoon gezin.” We hadden het goed, zegt hij. Vakanties, sport, spullen. Dat is belangrijk om te weten, omdat hij straks zal zeggen dat er na TomTom „in de kern” niks is veranderd in zijn leven, en ook niet in dat van zijn vrouw.

Hij ging rechten studeren, „om alle opties open te houden”. Even heeft hij overwogen diplomaat te worden. „Het waren de jaren tachtig. Ik was geïnteresseerd in kernwapens, internationale betrekkingen, buitenlands beleid.” Die ambitie verdween toen hij een reportage in Vrij Nederland las over de ambassade in Kairo, waar diplomaten voorbereidingen troffen voor de komst van de ambassadeur. „Dagenlang zoeken naar precies de goede kleur rood voor de loper. Onzindingen. Onze invloed in de wereld is zo groot als de omvang van ons land. Naar Nederland wordt geluisterd zolang we geld geven.” Niet voldoende boeiend. „Ik dacht: daar ga ik mijn geld niet mee verdienen.”

Hij werd lid van het Amsterdamsch Studenten Corps. Doen meer studenten, niks bijzonders. Behalve dat hij daar zijn toekomstige TomTom-collega’s leerde kennen: de oprichters Harold Goddijn, Pieter Geelen, Peter-Frans Pauwels. Hij zat in de almanakredactie, die het jaarboek van de vereniging maakt. „Ik zorgde voor advertenties. En ik merkte dat me dat heel makkelijk afging. Ik belde adverteerders die affiniteit hadden met studenten en vroeg ze om een kleine bijdrage. Lukte dat, dan konden wij weer wat extra’s doen.” Mensen vinden het gênant om om geld te vragen, zegt hij. Hij ook. „Maar als het niet voor mezelf is, vind ik het leuk.” En wat hij toen niet wist, en nu wel, is dat de bedragen die hij destijds vroeg misschien voor een student veel geld waren, maar voor Unilever, Akzo of Shell „drie keer hoesten” zijn.

Hij werd marketing-directeur bij Unilever. „Aftershave en shampoo verkopen.” Ging daarna hetzelfde doen bij Mars, maar dan met hondenvoer. Woonde in Londen, Parijs en Hamburg. Kreeg vier kinderen, drie dochters en een zoon.

Kastje

En toen was hij 35. Hij zegt nu, terwijl hij met twee stokjes sashimi eet, dat het er in het leven om gaat welke stappen je zet. Ja, dat kan zo zijn, maar wist hij, toen, op dat moment, dat de stap die hij overwoog te zetten zo succesvol zou uitpakken? Vast niet. Hoopte hij het? Dat zeker.

„Ik was bevriend met Harold Goddijn en zijn vrouw Corinne Vigreux (de TomTom-oprichters). TomTom stond op het punt de draai te maken van alleen software naar software in een kastje. Ik begreep meestal net voldoende wat hij me vertelde om te kunnen adviseren. Hij had nieuwe mensen nodig. Niet alleen techneuten, maar ook mensen die het kastje konden vermarkten. Ik wist wel een paar kandidaten.”

Alexander Ribbink vertelt hoe hij vanuit Londen, waar hij toen woonde, naar Frankrijk vloog en met de auto naar het zuiden reed, waar Goddijn een huis had. Hij ging erheen om te zeggen dat hij zélf bij TomTom wilde komen. Hij vertelt erbij dat marketingdirecteuren van multinationals, zoals hij toen was, in heel grote auto’s van de zaak rijden. Tien jaar geleden was dat zeker zo. „Hij keek naar de sloep waarin ik was gekomen en zei: weet je het wel zeker?” Ribbink zou nog geen kwart gaan verdienen van zijn salaris bij Mars.

En dat was eng?

„Je stapt uit je kolom, dat kan verkeerd gaan. Maar ik wist al hoe het voelde om in de eredivisie te spelen.” Het verhaal voor als het mis mocht gaan, had hij al bedacht. „Ik ben in een jong, klein bedrijf gestapt. Maar het is niet geworden wat ik hoopte.”

In 2003, toen Ribbink begon, werkten er veertig mensen bij TomTom. Toen hij er wegging in 2008 waren dat er tweeduizend. De omzet toen hij begon: 36 miljoen, en bij vertrek: 1,7 miljard.

„We waren er trots op hoeveel we afdroegen aan de belastingdienst. Hup, dat zijn weer twee ziekenhuizen. Daar gaan een paar snelwegen.”

Hij werd marketingman van het jaar 2005, reclameman van het jaar 2006. Hij ging weg omdat hij vond dat hij zijn grootste bijdrage had geleverd en verkocht zijn aandelen en opties. En toen? Toen niks. „We bleven wonen waar we woonden, ik heb geen auto’s gekocht of spullen. Ik deed weinig met het geld.”

Want?

„We hebben het altijd goed gehad. Ik in mijn jeugd, mijn vrouw ook. In de kern veranderde dat niet.”

Hij nam een jaar pauze. Een jaar om na te denken wat die kern dan is. Circle the wagons, noemt hij dat. Alle aandacht op het gezin. Nadenken over wat belangrijk is in het leven.”

En?

Hij aarzelt. „Als je niet meer hoeft te werken... Als niets meer moet...” En dan: „Als je niet oppast, valt het doel van álles weg.”

Want het doel is?

„Leven is werken. Anders is het leven niet leuk.”

En: „Ik ben vader van vier kinderen.”

Ja, dus?

„Niet-werkende ouders die zich wel alles kunnen veroorloven... Dat lijkt me niet goed voor kinderen. Als ik naar mijn eigen jeugd kijk, mijn ouders werkten altijd. Ook wel eens in het weekend, of ’s avonds. Dat is belangrijk voor je opvoeding.”

Dus u besloot weer een baantje te zoeken?

Hij lacht: „Ja.”

Wat voor baan zocht u?

„Er bestaat zoiets als het leuk-criterium. Je denkt: ik ga iets doen wat ik leuk vind. Leuk, leuk, leuk. Dat werkt niet. Kun je beter clown worden.”

Armoede

Zijn conclusie na een jaar sabbatical: werk moet nuttig zijn, en belangrijk. En in zijn geval niet per se betaald.

Hij werd partner bij Prime Ventures, een durfinvesteerder die geld stopt in jonge technologiebedrijven als Thuisbezorgd, Mendix en Greetz.

En dat is belangrijk en nuttig? „Geen bank of investeerder stopt nog een cent in dat soort ondernemingen. Wij wel. Dat is geen liefdadigheidswerk. Maar we stappen in het gat dat de banken laten vallen. Het is in ieders belang dat de technologie in Nederland op niveau blijft.”

Daarnaast is Alexander Ribbink dus fondsbestuurder. Zijn eigen fonds gaat naar vrouwen in kwetsbare posities, naar Afrika („warm en arm”), en in Amsterdam naar cultuur en hulpbehoevenden. Natuurlijk wist hij dat er armoede bestond in de stad. „Je kent de statistieken en de cijfers uit de krant.” De wethouder heeft hem net gevraagd voor het armoede-elftal, een soort denk- en doetank. „Nu weet ik hoe armoede er uitziet en hoe complex de bestrijding ervan is.” Wat hij niet wist, bijvoorbeeld, is dat merkartikelen het meest worden gekocht door mensen met het minste geld. Nu niet zeggen dat hij die merkartikelen zelf jarenlang aan de (arme) man heeft gebracht, want dat weet hij heus wel.

Hij zit, onbezoldigd, in de besturen van de scholen van zijn kinderen, is commissaris bij een handvol bedrijven en is toezichthouder bij het Stedelijk Museum. En er wordt regelmatig een beroep op hem gedaan. „En altijd vraag ik: waarom ik? En: waarom denk je dat ik wat kan toevoegen.” En als hij wat kan betekenen, dan doet hij het. „Ik vind: als je kunt, moet je.”

Ineens is hij heel stellig. „Ik heb de afgelopen jaren veel geleerd over mijn rol als burger. Een samenleving heeft extra handen, mensen en tijd nodig om te kunnen functioneren.” En zegt hij: „Nu is mijn generatie aan de beurt.”