Iedere Afrikaan heeft een mobiele telefoon

Uitgever Frank Bierens vertrok in 2009 met zijn gezin naar Afrika om televisie te maken voor de bevolking. „Toen wij aandacht hadden besteed aan een krottenwijk zonder waterleiding, werd de kraan voor deze bewoners weer opengedraaid.”

Frank Bierens in de tuin van zijn huis in Arusha, in het noorden van Tanzania.
Frank Bierens in de tuin van zijn huis in Arusha, in het noorden van Tanzania.

Vrijdag 31 mei

Gisteravond teruggekomen uit Kampala, de hoofdstad van Oeganda. De gebeurtenissen daar spoken nog door mijn hoofd. We maken in Oeganda een dagelijks debatprogramma voor de nationale televisie, dat wordt opgenomen vanuit een busje. Het trekt veel kijkers.

De nieuwe directrice van de omroep wil het tijdstip waarop ons programma wordt uitgezonden veranderen: van primetime naar twee uur ’s middags. Toen ik daar in een bespreking nee tegen zei, werd ik de kamer uitgezet en riepen ze me na dat ik nog van de advocaat zou horen. Onderdeel van de overheidsstrategie om de media de mond te snoeren?

Samen met Charlotte bestier ik een bedrijf dat lokale televisieformats ontwikkelt en produceert. We maken programma’s met sociale impact. We hebben vestigingen in Tanzania, Kenia en Oeganda, met overal vijftien tot twintig man in dienst; veelal lokale audiovisuele professionals.

Minibuzz is het eerste programma in deze landen dat gewone mensen aan het woord laat over zaken waarover tot voor kort alleen politici en directeuren van hulporganisaties hun mening mochten geven. Het programma heeft veel invloed. Toen wij een paar keer aandacht hadden besteed aan een krottenwijk die al een jaar was afgesloten van de waterleiding, werd uiteindelijk de kraan ook voor deze bewoners opengedraaid. En in Oeganda, het land waar homofobie onvoorstelbare vormen aanneemt – er zijn al verschillende homo’s vermoord – hebben we een homoseksuele activist laten discussiëren met mensen op straat. Dat leidde tot emotionele taferelen en tot mooie stukken in verschillende kranten. Zelfs The New Yorker heeft er over geschreven.

’s Middags komt mijn vrouw Charlotte met vertraging uit Dar es Salaam, Tanzania, waar ze een boekenonderzoek doet bij een audiovisueel bedrijf dat we overnemen.

Thuis hebben we drie vriendinnen van Flo (10) te logeren. Helaas zal Flo afscheid van hen moeten nemen. Wij verhuizen in augustus naar Nairobi, Kenia, om daar een ‘echt’ hoofdkantoor te beginnen. Vanuit de bush van Arusha, waar we nu wonen, is dat toch te ingewikkeld. Zeker als we straks ook in Ghana en Zimbabwe willen beginnen.

Zaterdag

Ik maak granola. Alhoewel we bij een middelgrote stad wonen, kun je hier niets krijgen. Dagelijks maken onze hulpen yoghurt, brood, koekjes, vruchtensappen en andere zaken die je in Nederland in de supermarkt koopt.

’s Avonds treden onze beide dochters op in het eindejaarsconcert van de muziekschool Umoja. Niet alleen expatkinderen, maar ook Tanzaniaanse kinderen krijgen er muzieklessen en treden vanavond op.

Zondag

In het vliegtuig van Kilimanjaro Airport naar Nairobi kom ik Matthew Brown van The Nature Conservancy tegen. Hij strijdt onder meer tegen het stropen van olifanten. Twee jaar geleden vroegen ze me om een programma te maken dat mensen bewust maakt van de gevolgen van de massale slacht van olifanten. We hebben een format ontwikkeld voor een realityprogramma over de anti-poaching rangers. Binnenkort beginnen we met de pilot.

In 1977 kwam ik met jeugdvriend Geert van Asbeck voor het eerst in Nairobi. We hadden net eindexamen gedaan en Afrika was ons jongensboek: Mount Kenya, Lamu, Juba, met vliegtuigjes liftend naar Khartoum, met de trein door de woestijn, met de boot over het Nassermeer. In de decennia erna hebben Geert en ik verschillende mediaprojecten in Afrika opgezet. Zoals het Kilimanjaro Film Institute, de filmschool in Arusha die nu door Geert wordt gerund en waar kansarme jongeren worden opgeleid.

Vanuit Nairobi vlieg ik ’s avonds door naar Ghana.

Maandag

Afrikaanse steden veranderen snel. Ik herken Accra nauwelijks. We maakten hier in 2005 voor MTV een serie programma’s met Ali B. Nadat we een paar weken in Sierra Leone hadden gedraaid, verheugde ik me op het ‘makkelijke’ Ghana. Het tegendeel bleek waar. Al direct was ik getuige van een geval van mobjustice: twee dieven werden doodgeslagen door een woedende menigte. Op onze eerste draaidag kwam de vrouwelijke rapper die Ali zou rondleiden en zou vertellen over geweld tegen vrouwen, niet opdagen. Later bleek dat zij die nacht door vier mannen was verkracht en dat zij in het ziekenhuis lag.

Nu ben ik hier met Mercedes, de manager van ons bedrijf in Tanzania. We bezoeken de hele dag bedrijven. Het Ghanese medialandschap blijkt heel vergelijkbaar met dat in Tanzania en Oeganda.

Dinsdag

Ik skype met Charlotte. Ze vertelt dat er kleine aardbevingen waren in Arusha. En kolonies bijen die zich nestelen onder onze dakpannen. De zwermen zijn oorverdovend en niet plezierig als je weet dat de kinderen rond het huis rennen. Ze komen ieder seizoen terug, ondanks onze pogingen de nesten uit te roeien.

We bezoeken vandaag meer Ghanese bedrijven en vragen naar hun activiteiten in Nigeria. Wij blijken niet de enigen die die Ghana zien als springplank naar Nigeria. Met 170 miljoen inwoners is Nigeria het Duitsland van Afrika. Maar de verhalen over corruptie doen onze ervaringen verbleken.

’s Middags spreken we een filmmaakster uit Congo. Een leuke vrouw die voor Afrigadget gaat werken, ons tv-programma over innovatie en over hoe Afrikanen alledaagse problemen oplossen.

Woensdag

In ons hotel stikt het van de Amerikanen die op zoek zijn naar hun roots. Velen van hen willen een bijdrage leveren aan de opbouw van dit continent. We denken daarom dat ons discussieprogramma met de diaspora hier goed zal gedijen. Het engageren van de Afrikaanse diaspora wordt door de Wereldbank en tal van andere organisaties beschouwd als een mogelijk katalysator bij de ontwikkeling van deze landen. Zij zijn de ideale investeerders – en gulle gevers. Lang werd de diaspora gezien als de brain drain, maar nu vooral als de potentiële brain gain: zij leveren advies en vaak komen ze terug om zich hier weer te vestigen, met alle westerse kennis en ervaring. Ons diasporadiscussieprogramma probeert hen te betrekken bij de grote nationale debatten. Met grote beeldschermen en liveverbindingen met mensen in bijvoorbeeld Toronto, Londen en Mumbai en met lokale politici hier in de studio.

Donderdag

Terug naar huis, waar inmiddels drie bijennesten onder het dak zitten. Ik vlieg ook nu weer via Nairobi. De kranten in het Westen staan vol van de economische boom in Afrika. De mensen voor wie wij programma’s maken, merken daar nog bar weinig van. Zij leven nog steeds van een dollar per dag en weten niet hoe ze het schooluniform van hun kinderen moeten betalen. Het is te hopen dat de olie- en gasvondsten daar verandering in brengen, maar iedereen is daar redelijk cynisch over. Nairobi ontwikkelt zich intussen als een tech-hub en net als in Silicon Valley gaat dat gepaard met venturecapitalbedrijfjes die als paddestoelen uit de grond schieten. Iedere Afrikaan heeft een mobiele telefoon en in feite zijn deze mobiele netwerken de eerste goed functionerende infrastructuur in Afrika. Daarvoor worden apps en andere toepassingen ontwikkeld. Er is veel kaf tussen het koren, maar er zijn producten die de potentie hebben de wereld te veroveren. In de afgelopen jaren waren dat MPesa (betalen met mobiel) en Ushahidi (crowdsourced informatie). Er staan prachtige nieuwe producten op stapel, zoals MKopa (zonne-energie geactiveerd door micro-sms-betalingen) en BRCK (internetverbinding buiten het elektriciteitsnetwerk). We kijken er naar uit weer in een stad te gaan wonen waar het allemaal gebeurt.