Doodnormale beslissingen zijn de gevaarlijkste

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Neelie, Pim en het Fyra-drama. Ofwel: modegevoeligheid als achilleshiel van het Hollandse bestuur.

Illustratie Hajo

Zegt u Fyra, dan zeg ik: Urenco. En Neelie natuurlijk. Neelie Kroes (71) is zoals bekend een moderne heldin. In De Wereld Draait Door werd zij laatst betiteld als „hipper dan Alexander Klöpping”. Hierna volgde het dringende verzoek nog jaren eurocommissaris te blijven om onze „digitale toekomst” veilig te stellen. Hollands glorie potverdorie. En mocht het niet doorgaan, dan moest ze „maar gewoon minister-president van Nederland” worden, vertrouwde Claudia de Breij, de cabaretière, haar toe.

Dus het is eigenlijk ongepast Neelie Kroes een rol toe te dichten in de laatste bestuurlijke slapstick, de Fyra, waarvan we deze week de slotaflevering beleefden. Die rol had Kroes formeel ook niet. Maar in de praktijk had zij er vroeger veel Haagse invloed op, net als andere helden die in dit verband doorgaans vergeten worden – ik noem een Pim Fortuyn.

Niet dat dit in de komende parlementaire enquête aangesneden wordt. Want zo werkt dat: in zo’n onderzoek draait het om formele beslissingen en verantwoordelijkheden. Dan kom je uit bij staatssecretaris Mansveld, minister Schultz van Haegen en hun voorgangers – u kon het rijtje deze week overal lezen.

Maar achter die formele werkelijkheid schuilt de tijdgeest, het ondefinieerbare samenspel van actuele inzichten dat de Haagse agenda dirigeert. En de voorgeschiedenis van de Fyra begon in 1993, toen NS werd opgesplitst. Het bedrijf moest goedkoper, en klaar zijn voor een open Europese spoormarkt. Op termijn zouden we er nog aan verdienen ook.

„Iedereen had dollartekens in de ogen”, vertelde oud-topambtenaar Roel in ’t Veldwoensdag op een Haags terras.

In ’t Veld zat destijds in de commissie-Wijffels, die de opsplitsing van NS bedacht. Het kabinet-Lubbers/Kok nam het advies in 1993 over, en niemand vond dit vreemd. In ’t Veld herinnerde aan het Haagse modewoord van die tijd: bankability – de beursgang van de NS en Schiphol was niet ver weg meer.

Je kunt er nu lacherig over doen – maar dit was een logisch gevolg van de tijdgeest die tien jaar eerder was ontstaan. In die periode wees Neelie Kroes, minister van Verkeer en Waterstaat, de weg: volgens haar kon je veel overheidsbemoeienis met transport – op het spoor, in het water, in de lucht – naar de markt brengen. Daar is dit verhaal echt begonnen.

Dat ging zo. De eerste kabinetten-Lubbers (1982-1989), die begonnen met een financieringstekort van 11,4 procent (!), grepen alles aan om de overheid in te krimpen. Daarom vroeg Financiën om afstoting van diensten, en Kroes ging er gretig op in. Het loodswezen, de PTT, de Luchtverkeersleiding, de Rijksluchtvaartschool, het ging maar door. Het beviel Financiën voortreffelijk. En Kroes ook.

Ook inzake NS begonnen onder haar „eerste ideeën te rijpen over een andere aanpak”, constateerde de Eerste Kamer vorig jaar in een onderzoek naar privatiseringen. Links pruttelde tegen, maar toen Kroes en de VVD in 1989 uit de regering verdwenen en de PvdA terugkeerde, ging het geruisloos met de trend mee. Zodat ook de PvdA in 1993 instemde met opsplitsing van de NS.

De biograaf van Pim Fortuyn, Leonard Ornstein, wees me erop dat Fortuyn in De puinhopen van acht jaar Paars (2002) de privatisering van de NS een totale mislukking noemde. Een monopolie op eigen benen zetten verhoogde de prijs en verlaagde de kwaliteit: vragen om moeilijkheden volgens Pim – al beaamde hij in zijn boek ook dat hij zelf sommige privatiseringen had geïnitieerd.

Dit was zwak uitgedrukt. In zijn bekende rol, de man die trends uitvergrootte en die als nieuw verkocht, bepleitte hij in zijn oratie als bijzonder hoogleraar in Rotterdam, Een toekomst zonder ambtenaren (1991), afstoting van zo’n beetje de hele rijksoverheid. Van de ministeries hoefden alleen „centra van globale beleidsontwikkeling” over te blijven. Een paar honderd man per departement.

Sommig uitvoerend werk kon overgaan naar de EU („een succesverhaal”), ander naar gemeenten, en verreweg het meeste naar verzelfstandigde en geprivatiseerde bedrijven. Overheidstaken in handen van de particuliere sector was „in ons land een veel te weinig verkende mogelijkheid”, aldus professor Fortuyn.

Dus verzelfstandiging van NS was destijds wel het minste. „Je kunt zeggen: door de tijdgeest kon de politiek niet anders”, vertelde bestuurskundige Mark de Bruijne (TU Delft) me. Voor genoemd onderzoek trok de senaat hem aan als specialist NS. „Terugdraaien zal nooit meer kunnen”, zei De Bruijne.

En volgens hem kun je het hele Fyra-debacle inderdaad terugvoeren naar 1993. Was NS destijds niet gesplitst, dan had het bedrijf nooit hoeven bieden op de concessie voor de hsl. En omdat NS bang was dat een concurrent de concessie kreeg, bood het te veel, zodat er te weinig geld resteerde voor de koop van een solide trein – vandaar: de Fyra. Er zijn nuances mogelijk, zei De Bruijne, „maar ik kan me in deze analyse vinden”.

Kortom: de tijdgeest van begin jaren negentig creëerde het Fyra-debacle, niet alle formele beslissingen van bewindslieden en NS daarna. En de vraag is: kan het dat we, gedreven door de huidige mode, een nieuw reprise aan het creëren zijn?

Een paar weken geleden kondigde Jeroen Dijsselbloem aan dat hij het staatsaandeel in Urenco, de nucleaire verrijkingsfabriek, wil verkopen. Het gaat om aardig wat geld: geschatte opbrengt ruim 3 miljard euro. En afstoting van dit soort staatsaandelen is al jaren beleid – meer markt, minder overheid.

Maar dit is niet zomaar een bedrijfje – al zou je het uit de lauwe reacties niet opmaken: sinds de Pakistaanse atoomgeleerde A.Q. Khan in de jaren zeventig bij Urenco in Almelo kennis van het verrijkingsproces opdeed, constateerden inlichtingendiensten dat die kennis terechtkwam in Iran en Noord-Korea. De laatste heeft nu een atoomwapen, de eerste wil er vermoedelijk een maken.

Toch wil Dijsselbloem er vanaf. Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië hebben nu elk eenderde van de aandelen. De Britten willen al jaren verkopen (voor het geld), de Duitsers hebben dit al gedaan omdat ze uit kernenergie stappen. Dus hij zegt: wanneer Nederland niet nu verkoopt, heeft het met zijn minderheidsaandeel straks niets meer te zeggen – zodat ook de marktwaarde van ons aandeel verdampt.

In de Kamer huivert men, ook de PvdA, en de minister benadrukte vorige week in een debatje (waar geen hond op afkwam) dat hij zware eisen aan kopers stelt, vooral inzake veiligheid en de belangen van de staat. Evengoed wil hij dat de verkoop doorgaat, en als je hem zo zag, dacht je: deze man gaat dit niet verprutsen.

Op de nucleaire markt bestaat eagerness om bij de Nederlandse regering in het gevlei te komen, hoorde ik deze week uit de VS. En Financiën beaamde woensdag via een woordvoerder dat zich inderdaad al kandidaat-kopers hebben gemeld, met wie men aan tafel schuift.

Wie dit zijn? Onbekend. In internationale media gaan namen van Franse, Japanse, Amerikaanse en Canadese nucleaire consortia rond. The Sunday Times, die als eerste meldde dat Nederland ging verkopen, schreef laatst dat ook het Britse investeringsfonds Apax belangstelling heeft.

Apax – inderdaad: het fonds dat vijftien jaar terug bijna alle Nederlandse kranten kocht, met fraaie woorden over investeringen en een glansrijke toekomst, om die kranten daarna financieel leeg te zuigen, en weer te verkopen.

Er begon iets te dagen. Uiteraard is Urenco NS niet. Maar zoals destijds verzelfstandiging van zo’n overheidsbedrijf doodnormaal was, zo is nu verkoop van dit soort staatsaandelen doodnormaal. Zoals destijds één beslissing een onbeheersbare keten aan reacties bij de NS teweegbracht, zo kan dat natuurlijk met Urenco ook gebeuren. En als de geschiedenis van Neelie, Pim, NS en Fyra iets heeft bewezen, is het dit: de modegevoeligheid van het Nederlandse bestuur is zo groot dat de doodnormale beslissingen de gevaarlijkste zijn.