Als je werk hier niet past, ben je kansloos

Het idee is aardig. Neem de Onderzeebootloods en laat daar elk jaar een spectaculair kunstwerk zien. Dat blijkt lastiger dan gedacht. De schilderijen die er nu hangen weten hun plaats maar moeizaam te vinden.

Chris Martin.
Chris Martin. Foto’s Ilvy Njiokiktjien

Zoals iedereen weet die weleens een berg heeft beklommen of een Viagra-advertentie heeft gevonden in zijn e-mail: size does matter. Dat geldt ook voor kunst, zeker sinds Tate Modern zo’n vijftien jaar geleden in haar Turbine Hall de Unilever Series introduceerde: grote, ambitieuze opdrachten die niet alleen een paar klassieke kunstwerken opleverden (zoals Olafur Eliassons Weather Project), maar ook (en misschien wel vooral) steeds honderdduizenden toeschouwers trokken. Die combinatie moet Museum Boijmans Van Beuningen zozeer hebben aangesproken dat ze vier jaar geleden, samen met het Havenbedrijf Rotterdam, een soortgelijke serie tentoonstellingen startte in de Onderzeebootloods op het RDM-terrein. Ook hier: een grote hal waarin steeds één kunstenaar één ambitieuze tentoonstelling inricht – achtereenvolgens Atelier van Lieshout, Elmgreen & Dragset en Sarkis. Hun exposities lieten echter ook zien wat het dilemma is met zo’n loods. Allereerst moet je als kunstenaar het materiaal hebben om de enorme ruimte naar je hand te zetten (een totaaloppervlak van 5000 vierkante meter) – Van Lieshout slaagde daar uitstekend in, Elmgreen & Dragset alleen door een nogal kunstmatige theatrale ingreep toe te passen en Sarkis faalde, maar zo opzichtig dat zijn onmacht weer sympathiek werd. En dan moet je je als kunstenaar ook nog verhouden tot de architectuur van het gebouw: de loods is vervallen, de verf bladdert er af en de sporen van het industriële gebruik zijn nadrukkelijk aanwezig. Daar moet je werk bij passen, anders ben je kansloos. Hoe eervol zo’n opdracht dus ook lijkt, het is hondsmoeilijk om hem tot een goed einde te brengen, en dan is er ook nog eens veel minder geld beschikbaar dan bij Tate. Zodat die hele Onderzeebootloods, in al z’n ambitie en formaat, langzaam een molensteen om de nek van het Boijmans begint te worden.

Veelzeggend genoeg breekt het museum dit jaar dan ook voor het eerst met het concept van één kunstenaar-één installatie. Drie schilders, Klaas Kloosterboer, Chris Martin en Jim Shaw, richten onder de noemer XXXL-painting een solo in in de hal. Hun werk is heel verschillend, maar dat wordt opgelost door te stellen dat ze ‘drie verschillende posities in de schilderkunst’ vertegenwoordigen. Om daar nog eens extra draai aan het geven, geeft Boijmans ze alle drie een bijnaam: Martin is ‘het schilderbeest’, Kloosterboer ‘de bommenwerper’ en Shaw ‘de verhalenverteller’. Maar waarom nu juist hun werk bij uitstek geschikt zou zijn om in deze hal, op dit formaat te worden getoond, blijft vaag.

Daardoor blijft dat noodgreep-gevoel sluimeren. En dat wordt bepaald niet beter doordat het werk van Martin er in de eerste grote hal nogal verloren bij hangt. Martin (Brooklyn, VS, 1954) is inderdaad een schilderbeest in die zin dat hij weinig van compositie, vorm en beheersing moet hebben: zijn doeken zijn onvervalste erupties van verf en energie. Toch hangen ze er op de enorme wanden nogal onbeholpen bij: in een kraakpand uit de jaren tachtig hadden ze het vast uitstekend gedaan, hier voelen ze misplaatst en verloren, zowel op deze locatie als in deze tijd.

Met een soortgelijk dilemma, maar dan een stuk intelligenter uitgevoerd, worstelt Kloosterboer. Kloosterboer (Schermer, 1959) is een onvervalste modernist, in die zin dat hij gefascineerd is door de werking en betekenis van de schilderkunst. Al jaren maakt hij grote, vaak monochrome schilderijen waar hij de werking van het doek, de verf en het platte vlak onderzoekt: hij snijdt ronde gaten in zijn doeken, maar ook ‘frommelt’ hij zijn doeken op tot grote proppen, maakt er poppen van en wat niet al – steeds vraagt Kloosterboer zich af wat een schilderij eigenlijk is, wat de grenzen van de schilderkunst zijn. In de loods gaat hij met die werkwijze door, zij het dat de (vaak monochrome) doeken nu veel groter zijn (al gauw twintig vierkante meter) en dat hij een deel ervan traag, bijna slepend via een rails aan het plafond door de ruimte laat bewegen. Die geste werkt goed: het sluit goed aan bij de industriële achtergrond van de loods en laat tegelijk zien dat Kloosterboer het niet erg op illusie heeft: de associatie met schilderkunst als machinaal, onpersoonlijk proces wordt steeds dwingender.

Eigenlijk de enige die zich in de loods op zijn gemak lijkt te voelen is Jim Shaw. Shaw (Midland, VS, 1952) is een typische vertegenwoordiger van de Amerikaanse westkust-scene (hij zat ooit met Mike Kelley in de band Destroy all Monsters): zijn werk is verhalend, provocerend, associatief, vol verwijzingen naar sprookjes (Alice in Wonderland), politiek (Monica Lewinsky) en de Amerikaanse geschiedenis. Shaw bedacht verreweg de slimste oplossing om de loods te beheersen: hij printte zijn werk op doeken en karton, die hij als delen van een toneeldecor door de ruimte verspreidde. Met schilderkunst heeft het weinig meer te maken, maar Shaw leidt je wel een heel eigen, dwingende en absurde wereld in – een beetje Mike Kelley, maar dan sprookjesachtiger en zonder de angstige, verknipte obsessie die Kelley’s werk zo indringend maakt. Toch, hoewel Shaws presentatie bevredigend is, lijkt hij de loods niet echt nodig te hebben gehad; zijn werk had evengoed en, soms misschien wel beter (belichting!) gestaan in het Boijmans. Zo blijf je achter met het gevoel dat deze tentoonstelling een soort noodoplossing is: de schilderijen weten hun plaats maar moeizaam te vinden, en de kraker, de modernist en de dromer worden aan het eind ook al niet echt vrienden. Daar zijn betere sprookjes voor nodig.

XXXL Painting. T/m 29 september in de Onderzeebootloods, RDM-laan 1, Heijplaat (Rotterdam).