U zegt, en wij geselen, hakken of vierendelen

Frantz Schmidt was een 17de-eeuwse beul, arts én dichter. Een nette vent, standvastig in het geloof. Hij hield zakelijk zijn beulswerk bij. Naast Schmidts leven biedt een bijzondere studie ook misdaadhistoriën.

Een beperkte subsectie van de afdeling egodocumenten wordt ingenomen door het beulsdagboek. Het kunnen er meer zijn, ik zag er in mijn lezende leven slechts drie voorbijkomen. In de eerste plaats Memoirs of the Sansons (1876), herinneringen van twee telgen uit een van oorsprong Schotse beulsfamilie waarvan Charles Henri Sanson (1739-1806) naam zou maken als ‘de beul van de Franse Revolutie’.

Ook de van kapper tot beul omgeschoolde Engelsman John Ellis (1874-1932) hield een dagboek bij, het in 1996 uitgegeven Diary of a Hangman. Met hem liep het slecht af, hij draaide door na een bloederige hangpartij van een mogelijk zwangere vrouw, pakte zijn oude scheermes weer op en sneed zichzelf de hals af.

Over het bijzonderste van de drie verscheen nu een imposante studie: Joel Harringtons Dagboek van een beul. Meester Frantz Schmidt van Neurenberg (1554-1634). De Neurenberger Schmidt hield tijdens zijn veertigjarig scherprechterschap alle executies en pijnbankarbeid bij, tot hij in 1618 met pensioen ging.

Dit type aantekeningen bijvoorbeeld: ‘De verrader Hans Ramsperger werd uit genade met het zwaard terechtgesteld, maar zijn lichaam werd vervolgens gevierendeeld; zijn ledematen aan de hoeken van het schavot bevestigd en zijn hoofd op een staak geplaatst.’

Het dagboek bestaat uit 621 van zulke ‘ingangen’, chronologisch, in lengte variërend van een paar regels tot enkele bladzijden, in de vorm van twee lijsten: doodstraffen (394) en pijniging (honderden cliënten voor geseling, brandmerking, afhakken van vingers, oren en tongen).

Beulswerk is van oudsher een familieaangelegenheid. Nog in de 18de eeuw was dat in de Sanson-familie zo sterk dat een voorvader van de Revolutiebeul vanwege minderjarigheid (hij was al officieel beul op zijn zevende) door zijn moeder en haar tweede echtgenoot als interim moest worden vervangen.

Ook de vader van Frantz Schmidt was beul, een beroep dat in die tijden werd opgelegd aan de paria’s van de samenleving. Via een aangetrouwd familielid die na een ongelukkige doodslag tijdens de jacht niet werd vervolgd maar wel eerloos werd verklaard, werd vader Heinrich Schmidt tot het beulswerk verplicht. Het wierp deze jager en houthakker terug tot de klasse der onaanraakbaren – pest- en lepralijders, leerlooiers en slachters. Het hele verdere leven van Heinrich en Frantz Schmidt zou in het teken staan van het terugwinnen van de aldus verloren eer der familie.

In het kader daarvan deed Harrington, historicus van de vroeg moderne gerechtspraktijk, een opmerkelijke archiefvondst: een in verrassend persoonlijke bewoordingen gesteld beroep van de dan 70-jarige Frantz Schmidt op dienstdoend keizer Ferdinand II om zijn familie in ere te herstellen. Die zou worden gehonoreerd. Van paria opgeklommen tot eerzaam burger. Opmerkelijke prestatie.

Waarschijnlijk heeft een bijbaan van de beul Schmidt geholpen: hij dokterde naast zijn scherprechterschap. Het verzoek aan de keizer bevat dan ook een lange lijst van Neurenbergers die hij zou hebben genezen. Dat een beul over anatomische kennis moest beschikken ligt voor de hand. Bij het vierendelen van veroordeelde misdadigers moet men weten waar te hakken, wil het een beetje netjes ogen.

Tegelijkertijd zaten er heikele kanten aan de medische praktijk, in een tijd dat natuur- en wondergenezing de hekserij akelig dicht naderde. Daar kwam dan voor Schmidt persoonlijk een enorme angst voor reputatieschade bij. Dat hij als jonge beul nog tot de onaanraakbaren werd gerekend was in zijn artsenpraktijk minder een probleem, over zulke bezwaren stapten ook rijkere of aanzienlijke patiënten maar al te graag heen. Beul Schmidt was bovendien een nette vent. Standvastig in het geloof (Luthers), en hij dronk niet, zoals veel van zijn beroepsgenoten.

Het was van wezenlijk belang een onthoofding met één slag van het beulszwaard te voltooien, dat doe je niet met drankhanden. De nuchtere Schmidt moet er een meester in zijn geweest. Bij slechts enkele van zijn vele zwaardexecuties noteert hij in zijn dagboek het woord ‘verknoeid’. Dramatisch is zijn laatste optreden als beul. Waarschijnlijk had hij als 70-jarige niet meer de kracht voor de clean cut, hij deed er drie maal over voor het hoofd van de romp viel. ‘Verknoeid’.

In eerste instantie zijn de dagboekingangen van Schmidt zeer kort, gaande zijn carrière wordt hij iets mededeelzamer over de veroordeelde ‘arme zondaars’, de aard van het misdrijf, motieven, slachtoffer en omstandigheden. Over het geheel genomen blijft hij zakelijk en onpersoonlijk, het woord ‘ik’ komt nauwelijks voor. Tekenend voor zijn instelling is wat hijzich in zijn dagboek afvraagt in verband met de opknoping van recidiverende honingdieven. Niet ‘waarom wordt zo’n draconische straf opgelegd?’, maar ‘Hoe komt een man erbij herhaaldelijk de doodstraf te riskeren voor een beetje honing?’

Zakelijkheid vinden we ook in het feit dat Schmidt door zijn functie gedwongen was zijn eigen zwager te folteren en te executeren. Opdracht uitgevoerd, door middel van 31 slagen met ‘het rad’, een zwaar wagenwiel waarmee de botten van de veroordeelde werden gebroken en tenslotte borstkas en hoofd verpletterd.

Joel Harringtons lijvige Dagboek van een beul is een soortement biografie, op basis van de bijzonder summiere gegevens van het Frantz Schmidt-journaal. Hij heeft de Neurenberger archieven en stadskronieken tot op de bodem uitgespit, en weet daardoor een aantal misdaadhistoriën die eindigden op Schmidts schavot te verhelderen.

Daarbij geeft hij overtuigende analyses zoals deze ten beste: ‘Door het kaste-fatalisme van de meeste van zijn tijdgenoten te verwerpen en een pad van deugdzaam handelen te volgen dat hem naar hij hoopte een meer eervolle positie in het leven zou bezorgen, omarmde Frantz onbewust een moderner concept van individuele identiteit.

Dat was een opmerkelijk humanistische benadering voor een half geletterde autodidact. Wat hij later zou schrijven over de menselijke natuur en de vrije wil kwam op een aantal belangrijke punten overeen met de opvattingen van de grootste geesten van zijn tijd, ondanks de ruwe en fragmentarische vorm waarin ze werden uitgedrukt. Maar voor Frantz kwamen filosofische bespiegelingen op de tweede plaats, ver na zijn eenvoudige, praktische doelstelling: het vestigen van een reputatie van betrouwbaarheid.’

Ook in verband met de volgende vondst mogen we de hoed voor Joel Harrington afnemen. We denken aan de Wagner-opera Die Meistersinger von Nürnberg (1868). Meesterzingers hebben natuurlijk meesterliederen nodig. Laat Meister Frantz Schmidt zich nu als tekstdichter van zo’n lied hebben ingespannen!

Enige twijfel over de hand van beul/genezer Schmidt in betreffende tekst wil Harrington wel toestaan, ‘maar bij nadere beschouwing lijken de aanwijzingen dat hij de schrijver was onbetwistbaar’. Met name vanwege de inhoud: het apocriefe verhaal van de Assyrische koning Abgar en Jezus, waarin zonde en genezing het centrale thema is. Harrington citeert twee passages uit het Schmidt-dagboek van vlak voor de liedtekst-datum die zich uitgerekend met dit thema bezighouden. Prachtig: de beul als dichter.

Wat Joel Harrington in niet minder dan 315 pagina’s doet is een reconstructie geven, niet alleen van het leven van deze ene beul, maar van de scherpgerecht in de hoogst onveilige beginjaren van de Dertigjarige Oorlog (1616-1648) en vlak daarvoor. Verbijsterend hoe dicht hij de werkelijkheid (ook de emotionele realiteit) van rond 1600 heeft weten te benaderen, en daarbij leest zijn proza als een trein. Het mag bij het onderwerp navrant klinken, maar het is zo: Dagboek van een beul is een verrukkelijk boek.