Het raadsel Tante Tiny

Was er vroeger sprake van esthetisering in het werk van A.F.Th. van der Heijden, nu wordt in zijn nieuwe roman alles bitter uitvergroot, tot een gitzwart melodrama.

Toen in 1996 het dubbele derde deel verscheen, leek het er even op dat A.F.Th. van der Heijden De tandeloze tijd eindelijk had afgerond. Sindsdien is alles weer onzeker geworden. Van der Heijden begon een nieuwe cyclus (Homo duplex), zo mogelijk nog ambitieuzer van opzet dan zijn voorganger, en vorige week, op de dag dat hij de P.C.Hooftprijs ontving, kwam De helleveeg uit. In dit vijfde deel van De tandeloze tijd worden maar liefst drie nieuwe delen aangekondigd als zijnde ‘in voorbereiding’. De cyclus is blijkbaar onuitputtelijk.

Waarom ook niet? Honderden personages heeft Van der Heijden ervoor bedacht, al dan niet ontleend aan het echte leven. De meesten komen even voorbij om daarna weer te verdwijnen, tenzij de schijnwerper exclusief op hen wordt gericht. In het ‘intermezzo’ Weerborstels (Boekenweekgeschenk 1992) overkwam dat een neef van hoofdpersoon en alter ego Albert Egberts, in De helleveeg is een tante aan de beurt, van wie we als ‘Tineke’ en ‘tante Tiny’ al een glimp mochten opvangen in Vallende ouders en De gevarendriehoek. In deze almaar uitdijende roman fleuve is plaats en aandacht voor iedereen.

In zijn dankwoord voor de P.C.Hooftprijs introduceerde Van der Heijden het neologisme ‘verschaming’, om aan te duiden wat er met hemzelf en zijn oeuvre was gebeurd sinds de dood van zijn zoon Tonio. Alles had zijn glans verloren, niets smaakte meer als vóór dat fatale ongeluk. Maar de schrijver maakte ook gewag van zijn ‘nieuwe, aangescherpte poëtica’, ontwikkeld bij wijze van verzet tegen deze verschaming. De helleveeg zou daarvan dus al moeten getuigen. Hoe? Dat is minder makkelijk te zeggen, aangezien Van der Heijden over die nieuwe poëtica in zijn dankwoord geen nadere mededelingen deed.

Het belangrijkste verschil met de vorige delen van De tandeloze tijd lijkt een verminderde esthetisering te zijn. Hoe laag en beschamend het vertelde ook was, Van der Heijden wist er altijd zoveel mogelijk ‘poëzie’ uit te peuren. Zelfs de meest genante feiten en details konden zo luister krijgen: alle ‘modder’ werd omgetoverd in ‘goud’, volgens het bekende alchemistische recept van Baudelaire. Maar waar zit het goud in de nieuwe roman? Het is alsof de schrijver zich nu heeft neergelegd bij de deprimerende aard van wat hij te vertellen heeft. Sterker, hij doet er een schepje bovenop. Lezen we in De gevarendriehoek nog over de ‘ietwat venijnige tante Tiny’, in De helleveeg zien we haar tekeer gaan als een hysterisch monster van wrok en wraakzucht.

De inzet is niet meer dit alles esthetisch te verheffen naar een hoger plan, maar te achterhalen welk geheim er schuilgaat in de kwaadaardige furie van deze tante. En dan komen we in nog veel onverkwikkelijker regionen terecht, in een moreel moeras van kindermisbruik, katholieke schijnheiligheid en ouderlijk wegkijken.

Het geruïneerde leven van tante Tiny biedt zicht op een Brabants melodrama waarvan de honden geen brood lusten. Ook in de vorige delen van De tandeloze tijd deinsde Van der Heijden niet terug voor de meest gruwelijke zaken, op rooskleurige illusies over de werkelijkheid liet hij zich nooit betrappen – het verschil zit ’m in de reactie: esthetisering toen, bittere uitvergroting nu. Met hooguit een ‘onbedaarlijke huilpartij: om alles wat er mis en kapot was gegaan’ als tijdelijke ontlading.

Dat huilen heeft Van der Heijden uitbesteed aan zijn verteller Albert Egberts, diens Zwanet en hun (stief)kinderen Cynthia en Thjum. In de chronologie van de cyclus zitten we na Advocaat van de hanen: de voormalige junk Albert is een succesvol dramaturg en toneelschrijver geworden, van wie een stuk wordt opgevoerd op het festival van Avignon. Maar daaraan worden niet veel woorden vuil gemaakt. Des te meer aan het verleden dat Albert en tante Tiny, een jongere zus van zijn moeder, met elkaar delen. Het gitzwarte melodrama krijgt zo ook nog een andere dimensie, een dimensie van dubbelzinnigheid en zelfs (al zijn we tegenwoordig wel wat gewend) van perversie.

In elk geval geldt dat voor de verteller; wat er in tante Tiny nog meer omgaat dan pure wraakzucht en een peilloos verdriet blijft buiten beeld. Albert blijkt zich al vroeg te ontpoppen als chroniqueur in spe, het jongetje dat in een hoek van de kamer gebogen over zijn boek alles ziet en hoort, en in zijn geheugen opslaat voor later. Bij tante Tiny, slechts twaalf jaar ouder dan Albert, gaat de belangstelling nog wel wat verder dan deze ‘muisstille tactiek van afwezige aanwezigheid’. In haar geval is al vroeg sprake van een aanvankelijk zeer vage, maar weldra meer uitgesproken erotische fascinatie.

Tiny wordt afgeschilderd als een knappe vrouw (‘mooie meid’) die de jonge Albert betovert. Een prikkelend contrast met haar agressieve, boosaardige gedrag en haar bizarre gewoonte om overal met een stofdoek op vuil en stof te jagen. Waar heeft ‘Tientje Poets’ deze extreme smetvrees aan te danken en waarom draagt zij over haar jurk of mantelpak zo vaak een schortje? Dit soort vragen, evenals het fanatieke verzet tegen haar omgeving dat zij belichaamt, zetten de verbeelding van de verteller aan het werk, zij het nooit zonder troebele bijgedachten.

Typerend is Alberts al dan niet verzonnen herinnering dat hij als kind bij tante Tiny in bed mocht komen en daar van haar een verhaal te horen kreeg, in ruil voor stukjes van een chocolade paasei. ‘Bij elke cliffhanger in haar vertelling eiste ze, bij wijze van onterugvorderbaar voorschot, een scherf van het ei, anders kon ik fluiten naar het vervolg.’ Vaak vertelde zij verhalen die Albert achteraf ‘behoorlijk schunnig’ voorkomen. Feit is dat ze zijn erotische fantasie stimuleren, met als gevolg dat het nog tot een herhaling komt van de bedscène met het paasei, wanneer Albert volwassen is en tante Tiny allang is getrouwd met oom Koos.

De lezer hoeft geen paasei mee te nemen om op vergelijkbare wijze, stukje bij beetje, te vernemen wat er precies aan de hand is met deze wonderlijke tante (‘Ik ben niet voor het leven geboren’), die lijdt onder haar kinderloosheid en van wie het lange tijd de vraag blijft of zij nu wel of niet onvruchtbaar is. Het geeft de roman iets van een detective, telkens wordt er weer een facet onthuld en telkens blijkt het toch weer net even anders te zitten. Maar uiteindelijk wordt het raadsel in heel zijn paradoxale gruwzaamheid opgelost.

Tegen die tijd is van de quasiperverse dubbelzinnigheid bij de verteller niet veel meer over. Familie is ‘één groot loyaliteitsconflict’, zegt Albert ergens. Maar nadat ook zijn oude en door Parkinson machteloze moeder het slachtoffer is geworden van tantes onverzoenlijke venijn, kiest hij eerder háár kant dan die van zijn door het leven beschadigde tante.

Wat er nog rest aan fascinatie en affectie is in deze roman gaan zitten, in de aandacht waarmee Albert c.q. Van der Heijden zich op haar geheim storten. Het had ook onopgemerkt en onopgelost in de vergeetput van de geschiedenis kunnen verdwijnen. Nu wordt het omstandig uit de doeken gedaan, met de beeldende welsprekendheid die Van der Heijdens literaire handelsmerk vormt. Hoewel de esthetiserende inzet ontbreekt, is het gelukkig niet zo dat Van der Heijden nu opeens minder of zelfs maar kariger is gaan schrijven, al blijkt hij met enkel ‘een soort snauwend zwijgen’ de beklemde verhouding tussen tante Tiny en haar echtgenoot ook heel pregnant te kunnen samenvatten.

Het resultaat oogt zonder meer bigger than life, want heeft tante Tiny met haar eeuwige schortje en stofdoek niet ook iets karikaturaals? Ja, dat heeft ze. De helleveeg doet nu en dan aan een groteske denken, maar dat blijkt wel een effectieve methode om je te laten nadenken over wat het betekent wanneer iemand zo hopeloos door het leven in de tang wordt genomen. Tantes ongeneeslijke haat, tegen haar ouders, tegen haar zus en – later – ook tegen haar echtgenoot, is in elk opzicht excessief, maar juist het opzichtige teveel van haar negatieve hartstocht zet aan tot nieuwsgierigheid, zowel bij de verteller als bij de lezer.

In de roman wordt op zeker moment Maupassant genoemd. Toch herinnert De helleveeg veel meer aan het werk van Balzac, waarin het wemelt van de personages met soortgelijke excessieve (en exclusieve) hartstochten. Zichzelf en hun omgeving richten ze ermee te gronde, denk aan vader Goriot en diens alles verslindende liefde voor zijn dochters of aan de seksmaniak generaal Hulot in La cousine Bette, die zijn gezin aan de bedelstaf brengt met zijn wellustige escapades.

Balzacs personages zijn allereerst het slachtoffer van hun eigen onbedwingbare passies. Bij Van der Heijden ligt de schuld óók bij de anderen. En bij een katholieke wereld, waar seksueel misbruik (in dit geval: van meisjes en nu eens niet door priesters) wordt toegedekt omdat men het niet wil weten, maar waar een slachtoffer dat zwanger raakt niet op een fatsoenlijke abortus mag rekenen, want zoiets staat het geloof niet toe. Ook in de schildering van deze wereld doet Van der Heijden denken aan Balzac en aan diens Comédie Humaine, een imaginair panorama van Frankrijk in de vroege negentiende eeuw, uitgesmeerd over tientallen romans en verhalen.

In De helleveeg (de titel slaat op tante Tiny, maar zelf gebruikt zij het woord ook om een van háár kwelgeesten aan te duiden) is dat een Brabantse wereld van katholieke kleine luiden, waaruit Albert Egberts zich pas na veel omwegen weet te ontworstelen, maar waarnaar hij gedreven door die o zo tegenstrijdige familieloyaliteit ook steeds weer terugkeert. De roman krijgt er een onverhoedse en wellicht ook onbedoelde actualiteit door, als we tenminste letten op de plannen van het kabinet-Rutte om de zorg voor de bejaarden steeds meer over te laten aan de kinderen.

De omgang van tante Tiny met haar ouders, die zij het leven zo zuur mogelijk tracht te maken, is niet bepaald een aanbeveling voor de kabinetsplannen. Tiny verwijt haar vader en moeder dat zij haar altijd hebben gebruikt als een soort ‘huisslaaf’, en daarvoor neemt zij wraak door op feesten en partijen steevast voor gênante scènes te zorgen. En wanneer Albert bij zijn tante op bezoek komt met zijn paasei, in de hoop hun opwindende intimiteit van weleer te reanimeren, treft hij na afloop zijn grootmoeder aan in de logeerkamer, vastgebonden aan een ‘hondenriem’, naast een volle po en een ‘pesterig hard op popmuziek afgestelde radio’.

Misschien moet men er in Den Haag, na lezing van deze roman, toch nog eens goed over nadenken.