Het echte gevaar voor Erdogan is zijn eigen partij

De Turkse premier Erdogan bezigt compromisloze taal over de betogingen in zijn land. Maar hij heeft wel averij opgelopen.

Van Atatürk International Airport in Istanbul kwam afgelopen nacht om half drie Turkse tijd een beeld dat Turkije al een tijd niet meer gezien heeft. Premier Recep Tayyip Erdogan werd na zijn vierdaagse rondreis door Noord-Afrika ontvangen door tienduizenden – de Turkse tv zei 100.000 – aanhangers die hem toejuichten met de rode vlag van de Republiek. Ze waren niet opgetrommeld. Ze stonden er gewoon, als een herinnering aan de wereld dat Turkije nog altijd wordt geregeerd door een leider van ongekende populariteit in een regio waar de een na de ander roemloos aan zijn einde komt.

Het protest op Taksim in Istanbul en elders in het land is spectaculair, ongekend in de Turkse geschiedenis, maar bepaald geen dodenmars voor de premier die bij de laatste verkiezingen nog de helft van de stemmers achter zich kreeg. Buiten het centrum van Istanbul wonen miljoenen migranten die de premier dankbaar zijn voor de „geleverde diensten”, waar hij zelf ook aan herinnerde in zijn aankomsttoespraak. „Ze zeggen dat ik de premier ben van 50 procent. Dat is niet waar. We hebben alle 76 miljoen gediend, van oost naar west”, sprak Erdogan.

In Anatolië bleef het kalm de afgelopen tien dagen – op een paar uitzonderingen na, zoals Adana, Antakya en Rize. Het is daar waar de conservatieve achterban woont die door de regerende AK-partij is geëmancipeerd en bevrijd van de gesel van de oude elite in Istanbul en de westkust en de generaals. Ze zijn misschien niet gelukkig met alles wat Erdogan zegt of doet, maar een stem op de stuurloze oppositie is uitgesloten.

De premier is niet buiten gevaar. Zijn grootste uitdaging ligt misschien niet op Taksim, maar in zijn eigen partij. Op een persconferentie in Tunis veegde hij de vloer aan met de verzoenende toon die partijgenoten als vicepremier Arinc en president Gül in zijn aanwezigheid aansloegen. Hij beschuldigde de demonstranten ervan samen te werken met „de terreurorganisatie”, een eufemisme voor de Koerdische PKK, die verantwoordelijk zou zijn voor het in brand zetten van stadsbussen en andere vernielingen. De gewraakte nieuwbouwplannen voor Taksim moesten gewoon worden uitgevoerd. De demonstraties moesten onmiddellijk stoppen. Onderhandelen vindt hij een absurd idee. „Ik kan niet regeren met de mentaliteit: als jij dit doet, dan doe ik dat.” Over het politiegeweld zei hij: „In heel de wereld wordt traangas gebruikt.” Op het vliegveld voegde hij daaraan toe: „Zij die hun handen heffen tegen de politie, moeten hun handen breken.”

Dat is de oude Erdogan, in een nieuw Turkije. Al voor de protesten waren er scheuren in de regeringscoalitie zichtbaar. Begin april kritiseerde de beweging van de invloedrijke islamgeleerde Fethullah Gülen, waarvan een groot deel van de AKP-aanhang lid is, de beperkte persvrijheid in Turkije. De zalvende woorden van president Abdullah Gül liggen veel meer in lijn met de idee van dialoog dat de Gülen-beweging predikt. Gülen regeert niet. Maar de ambities van Erdogan hebben danig averij opgelopen. Hij wil dit jaar een tweederde meerderheid in het parlement te krijgen om de grondwet te veranderen en volgend jaar president te worden.

Terwijl hij in maart nog hoopvol koerste op een einde aan het dertig jaar durende conflict met de Koerdische PKK, en daarmee steun van de Koerdische partijen, trapte hij in Tunis op de tenen van alle minderheden en andersdenkenden. Hij sprak in ‘wij’ en ‘zij’. „Toen zij probeerden onze partij te sluiten, gingen wij niet de straat op.” Eerder zei hij „als zij 200.000 mensen op straat krijgen, dan komen wij met een miljoen”.

Onder druk van het protest verdiept hij de kloof in de Turkse samenleving, waarvan hij zelf een product is. De politicus die eind jaren negentig door de seculiere elite in de gevangenis werd gezet en in 2002 aan de macht kwam met een agenda van hervorming, is nu zelf de stem van behoud geworden. Maar het land waarin hij na vier dagen terugkeerde, is niet hetzelfde als toen hij vertrok. De Turkse tv-zenders hebben na de harde kritiek op hun zelfcensuur hun uitzendingen vanaf Taksim hervat. In Istanbul is het al twee nachten niet meer tot botsingen gekomen tussen de demonstranten en de oproerpolitie, die lijkt te hebben geaccepteerd dat de bezetting van Taksim geen opwelling was. De premier kan ieder compromis met de bezettingsbeweging hebben afgewezen, hij is nog niet van de betogers af.