Wie is de baas over taal? It's the economy, stupid!

Wie het geld heeft, heeft de macht en wie de macht heeft, bepaalt welke taal er gesproken wordt en hoe die klinkt. Zo is het altijd geweest, ondervindt Geert Joris.

Op 15 juni neem ik aan de Universiteit Leiden deel aan een publiekssymposium over de vraag ‘Wie is de baas over de taal?’

Het zal dan met name gaan over de normen en regels van het Nederlands. Mijn antwoord zal daar zijn dat niemand en iedereen de baas is van de taal en dat de Nederlandse Taalunie de normen en regels die zich binnen de taalgemeenschap vormen, registreert en uitdraagt om die norm- en regelvorming te ondersteunen en taalgebruikers houvast te bieden.

Ik zal dat inhoudelijke en beleidsmatige antwoord daar geven om het programma niet te verstoren en het debat niet naar een ander niveau te tillen, maar op 30 mei jongstleden werd ik aan een ander antwoord herinnerd toen de Nederlandse bewindspersonen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aankondigden dat de Taalunie om een forse bezuiniging wordt verzocht. “It’s the economy, stupid”, zoals Bill Clinton het in 1992 al zei om zittend Amerikaans president George Bush senior van een tweede ambtstermijn te houden.

In het Nederlands luidt dat „wiens brood men eet, diens woord men spreekt”. Wie het geld heeft, heeft de macht en wie de macht heeft, bepaalt welke taal er gesproken wordt en hoe die klinkt. Zo is het altijd geweest en zo zal het altijd zijn.

Toen Brugge in de middeleeuwen de dominante havenstad in de Lage Landen was, kon je West-Vlaamse dialectkenmerken terugvinden in Limburgse handschriften. Dat zegt alles. De verzanding van het Zwin deed Brugge de das om en het economisch zwaartepunt verschoof naar Gent en later naar Antwerpen. Op het moment dat er zich in heel Europa standaardtalen begonnen te vormen, door de economische expansie en verhoogde mobiliteit, was Antwerpen de dominante stad in de Lage Landen en zou het Brabants de basis vormen voor het eerste Algemeen Nederlands. De val van de stad in 1585 besliste er anders over. Het geld en het talent vluchtten naar Amsterdam en hun komst leidde daar tot een Gouden Eeuw en een standaardtaal die op Hollandse leest was geschoeid. Er wordt wel eens gezegd dat een standaardtaal een dialect met een leger en een marine is, maar het gaat er natuurlijk om wie de centen heeft om dat leger en die marine uit te rusten en op pad te sturen.

„Wiens brood men eet, diens woord men spreekt” geldt niet alleen binnen maar ook tussen talen. Wie de macht heeft, bepaalt welke taal er gesproken wordt. In de tijd van de Romeinen was dat in grote delen van het rijk een verbastering van het Latijn. In de beginjaren van België was dat in Vlaanderen een verbastering van het Frans. In onze tijd, met onze geglobaliseerde economie, is dat in onze steden en aan onze universiteiten steeds meer een verbastering van het Engels. Als we het lang genoeg volhouden, kunnen er nieuwe Engelse variëteiten uit ontstaan, ‘Flemish English’ en ‘Dutch English’, maar op dit moment klinkt het voor ‘native speakers’ vooral als slecht Engels. Ik zie liever geen tussenengels of Stadsnederlands ontstaan, Engels met te veel Nederlands haar op. Ik ben een voorstander van goed Nederlands en goed Engels naast elkaar, want dat is twee keer goed.

De gevraagde besparing is niet tegen de Taalunie op zich gericht. Dat zou ook gek zijn want de Taalunie is op zich al één grote besparing. Alles wat Nederland en Vlaanderen samen voor het Nederlands doen, hoeven ze niet apart te doen en door hun middelen samen te leggen, zijn ze samen tot grotere dingen in staat.

Neen, de gevraagde bezuiniging is ingegeven door het leggen van andere beleidsprioriteiten. Het gaat er dus niet om wat Nederland en Vlaanderen nog samen voor het Nederlands willen doen, maar om wat ze samen voor het Nederlands kunnen doen en hoeveel ze daarvoor moeten uittrekken.

Het is aan de Taalunie om te bewijzen dat ze haar investeringen meer dan dubbel waard is en dat Nederland en Vlaanderen daarom niet minder maar juist meer in haar zouden moeten investeren. Taal schept kansen. Voor onderwijs, wetenschap en cultuur, voor innovatie en voor de economie. „It’s the economy, stupid’’, dat antwoord had ik ook in Leiden kunnen geven, maar ik geef het in Den Haag.

Geert Joris is algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie