Outsiders en insiders

Zijn de tekeningen van psychoanalyticus Carl Jung en antroposoof Rudolf Steiner kunst? Die vraag roept de Biënnale op door veel werk van outsiders te tonen.

Morton Bartlett, ‘Untitled (doll)’
Morton Bartlett, ‘Untitled (doll)’ Collectie The Museum of Everything

Heeft kunst invloed op de wereld? Terwijl vorige week in Istanbul de eerste demonstranten de straat opgingen en de Chinese kunstenaar Ai Weiwei nog steeds zat opgesloten in zijn Beijingse woning, ging in Venetië de Biënnale open. En al meteen bij het betreden van de eerste zaal van de hoofdtentoonstelling, The Encyclopedic Palace van curator Massimiliano Gioni, werd duidelijk dat dit een vreemde expositie ging worden. Heel vreemd. De eerste grote zaal stond vol met aquarellen uit het zogenaamde Rode Boek van Carl Gustav Jung, het magnum opus van de psychoanalyticus dat pas een jaar of tien geleden boven water kwam: bijna middeleeuws aandoende boekverluchtingen, overladen met symboliek. In de zaal erna hingen de collegeaantekeningen van de oer-antroposoof Rudolf Steiner: grote, schoolbordachtige vellen met daarop witte, krasserige letters en kleurige tekeningen, die sterk doen denken aan Joseph Beuys. Bijna iedereen die besefte wat hier hing, werd er ongemakkelijk van: Jung en Steiner zijn niet alleen twee van de beroemdste, invloedrijkste theoriebouwers van de twintigste eeuw, ze gelden ook als gelijkhebberig, manipulatief, omstreden. Suggereerde Gioni nu dat hun werk, deze tekeningen, eigenlijk kunst waren? Wat moesten we dan denken van de ‘echte’ kunst die hier zou worden getoond?

Het antwoord kwam snel – en was verwarrend. Inderdaad: in zijn Encyclopedic Palace laat Gioni zien dat elke kunstenaar volgens hem in diepste wezen een universumbouwer is, net zoals Jung en Steiner. Afzonderlijke werken, schilderijen of beelden die ‘voor zichzelf spreken’ worden nauwelijks getoond, de tentoonstelling zit propvol kunstenaars die werken in series, reeksen, stapelingen, noem maar op. Opvallend veel van die deelnemers vallen niet onder de traditionele definitie van ‘kunstenaar’ – en dat zijn er zoveel dat de verwarring op een gegeven moment behoorlijk toeslaat. Op het ene moment sta je voor de levensechte, onmiskenbaar door perversie gekleurde kinderpoppen van de Amerikaan Morton Bartlett (die trouwens veel weg hebben van het vroege werk van Jake & Dinos Chapman). Dan stuit je op de droomachtige, seksueel beladen Henri Rousseau-varianten van de voormalige melkboer en circusartiest Friedrich Schröder-Sonnenstern. Je loopt wat door en komt langs de immense, krabbelige tekeningen van de Chinese Guo Fengyi (die ervan uitging dat ze al deze tekeningen ‘van boven’ doorkreeg). En zo gaat het door. En door. Grote, volle werelden, beladen met details die de obsessieve beheersingsdrang van de outsider meestal kenmerken.

Tegelijk draait Gioni dat mechanisme regelmatig met een bijna aan wellust grenzende gretigheid om: dan denk je te dwalen door het doolhof van de zoveelste outsider (vreemde, primitief aandoende, bijna logoachtige droedels, in obsessieve aantallen op dunne wandjes geplakt), blijkt het een werk van de gerenommeerde Amerikaanse kunstenaar Matt Mullican te zijn. En zijn de obsessieve, mudvolle schilderingen met skeletten van Jean-Frédéric Schnyder (die Zwitserland enkele jaren geleden nog op de Biënnale vertegenwoordigde) nu ‘outside’ of ‘inside’? Doet dat ertoe?

Melkboer

Op het eerste gezicht ligt Gioni’s antwoord op die vraag voor de hand: nee, dat doet er niet meer toe, de titel kunstenaar past bij iedereen die in staat is een overtuigend, dwingend, prikkelend wereldbeeld neer te zetten. Psychoanalyticus, melkboer, koppelaar, allemaal zijn ze kunstenaar. Of toch niet? Want hoe langer je over Gioni’s tentoonstelling loopt, hoe meer je beseft dat ‘beheersing’ het kernbegrip is. Beheersing van de eigen gedachten, van de kunst, van je wereld. En daar wordt ook het begrip ‘encyclopedisch’ uit de titel belangrijk: daarmee verwijst Gioni naar de eerste ‘oer-encyclopedie’ (die van Diderot en d’Alembert) en daarmee naar het fundament van de Verlichting. Meestal wordt de encyclopedie gezien als het perfecte Verlichtingssymbool, omdat alle overmoed en vermetelheid van de menselijke geest erin wordt samengebald: langzaam was de mens in de achttiende eeuw gaan geloven dat zijn geest, zijn kennis de wereld kon beheersen, samenvatten in één boek. Een papieren universum. Of toch niet?

Dat is precies wat we zien gebeuren bij het overgrote deel van de kunstenaars in Gioni’s Encyclopedic Palace: ze worstelen met beheersing. Daarvoor heeft Gioni ongetwijfeld niet zomaar gekozen: er gaat een grote symbolische waarde van uit. Hij richt zijn paleis op nu we tegen de grenzen van de Verlichting oplopen: na de aanslagen van 9/11, de beurscrash en al die andere historische gebeurtenissen is het iedereen wel duidelijk dat beheersing van de wereld door de mens een illusie is – en er dus andere oplossingen en wereldvisies moeten komen. Maar welke? En kan de kunst daaraan bijdragen?

Precies daar begint het gedonder. Neem de video-installatie Grosse Fatigue (2013) van de jonge Franse kunstenares Camille Henrot die veel indruk maakte: daarin neemt ze je mee op een razendsnelle, ultragelaagde tocht langs natuurhistorische archieven en het ontstaan van de evolutie. Het beeld is haarscherp en verleidelijk en Henrot stapelt in hoog tempo beelden op elkaar – een kunstwerk als Diderots Encyclopédie, maar dan diep doortrokken van twijfel en zelfrelativering. Dat is helemaal in Gioni’s lijn: kunst is geen wetenschap, kunst is geen politiek, kunst is vooral goed in het tonen van utopische wereldvisies die de toeschouwer een blik op andere werelden en andere mogelijkheden bieden. Maar: dan wel zonder die zelf te realiseren. Dat maakt zijn tentoonstelling inhoudelijk, prettig, diep en gelaagd, maar ook wereldvreemd.

Neem de overdaad aan outsiders: waar je op het eerste gezicht denkt dat Gioni daarmee vooral irritant artistiek-modieus wil zijn (de discussie over het belang van outsiderkunst woekert alweer jaren), besef je al snel dat hun aanwezigheid vooral het streven naar ‘Verlichte’ beheersing nadrukkelijk relativeert.

Outsiderkunstenaars zijn vaak mensen die in het dagelijks verkeer moeilijk mee kunnen en die zich welbewust hebben opgesloten in de fantasiewereld van hun kunst, om zich daar met een hypergevoelig oog voor detail uit te leven in manische ambachtelijkheid: ze scheppen een schijnbaar dichtgetimmerde wereld waarmee ze zowel hun eigen geest als de wereld onder controle proberen te krijgen. Verlangen om te communiceren hebben ze nauwelijks, ze zijn God in hun eigen wereld – niet voor niets worden veel ‘outsideroeuvres’ pas gevonden na de dood van de maker.

Spagaat

Door op dat soort tegenstellingen te wijzen, benadrukt Gioni de spagaat waarin de traditionele kunst terecht is gekomen. Goede kunstenaars, de besten vaak, bouwen een eigen wereld op, maken dwingende beelden en leggen nieuwe verbanden, maar beseffen ook heel goed dat het menselijke beheersingsvermogen zijn beperkingen kent. Sterker nog: je kunt makkelijk volhouden dat de beste kunstenaars zich juist van de middelmatigen of de outsiders onderscheiden doordat ze in hun oeuvre altijd dingen open willen houden, aan het toeval overlaten, dat ze de wereld willen ‘ontheersen’. Niet voor niets zit Gioni’s expositie vol verwijzingen naar God (en Rudolf Steiner): goede kunstenaars scheppen niet alleen hun eigen wereld, ze durven de controle over die wereld (na de schepping) los te laten.

De spanning en de onzekerheid die dat oplevert, leidt tot goede kunst, maar door die onzekerheid geeft de kunstenaar ook zijn invloed in de echte wereld op – die wil beheersing, controleerbaarheid, voorspelbaarheid.

Hoe langer ik me onderdompelde in al die dwingende en verleidelijke universa, hoe vaker ik dacht aan Ai Weiwei, nadrukkelijk aanwezig in de rest van Venetië. Ai is de laatste anderhalf jaar mondiaal zo alomtegenwoordig (Ai danst Gangnam Style, Ai maakt een kunstwerk met babyvoeding, Ai maakt een hardrockvideo) dat veel mensen in de kunstwereld genoeg van hem krijgen – steeds vaker wordt hij beschuldigd van populisme en effectbejag. Dat is ongetwijfeld waar: zijn werk is er niet beter op geworden, flauwer, voorspelbaarder, maar tegelijk neemt zijn invloed in de echte wereld onmiskenbaar toe.

Daarmee lijkt hij op een nieuwe artistieke wet van communicerende vaten te duiden, die de kunst de komende jaren wel eens in toenemende mate zou kunnen gaan beheersen: kunst of wereld, en hoe meer je van het ene kiest, hoe meer je van het andere kwijtraakt. Kunstenaars, tentoonstellingsmakers zullen moeten balanceren. Kiezen. Of zelfs: die twee elementen verenigen, samenbrengen, elkaar laten opstuwen. Hoe dat zou moeten, is misschien wel de grootste uitdaging die de kunst zich kan stellen.

Hoe het ook zij: Massimiliano Gioni’s positie is duidelijk. Hij kiest voor de kunst en laat de wereld de wereld. Met zijn Encyclopedic Palace toont hij de kunst in een prachtige burcht: mooie expositie, prikkelend en intrigerend, artistiek inhoudelijk, maar ook zeer in zichzelf gekeerd. Je kunt je afvragen of kunst dat op dit moment nodig heeft.