Verhalen uit de toverdoos van J.J. Abrams

J.J. Abrams mag Hollywoods grootste sciencefictionmerken revitaliseren: na Star Trek is Star Wars aan de beurt.

Met zijn nieuwste bijdrage aan de Star Trek-saga opent de Amerikaanse producent, schrijver en regisseur J.J. Abrams deze week officieel het blockbusterseizoen, de periode van het jaar waarin Hollywood het gros van z’n jaaromzet aan de bioscoopkassa’s moet binnenhalen.

2013 lijkt de zomer van de sciencefiction te worden en met de twaalfde bioscoopfilm in de Star Trek-serie zet hij hoog in. Dat is hem wel toevertrouwd: in 2009 blies hij de serie nieuw leven in door een parallel universum te introduceren waarin hoofdpersonen Spock en Kirk gewoon nog jong waren en opende hij zo de deur voor een nieuwe reeks films, waarvan Star Trek Into Darkness nu in première gaat. Het tekent zijn aanpak: geef het publiek iets bekends, maar deins er niet voor terug dat radicaal anders te presenteren als dat beter verkoopt. Elk project dat hij de afgelopen jaren in handen kreeg, veranderde zo in goud.

Zijn doorbraak was Lost (2004-2010). Die televisieserie over een vliegtuigcrash op een mysterieus eiland hield seizoenenlang mensenmassa’s aan de buis gekluisterd met de simpele vraag: „Wat is in godsnaam dat eiland?” Meestal gevolgd door de vraag: „Nee serieus, wat is in gódsnaam dat eiland?”, aldus Abrams in 2007 tijdens een TED-lezing over het geheim van verhalen vertellen. Het is simpelweg een kwestie van mysterie op mysterie stapelen.

Jeffrey Jacob Abrams (1966) is een eclectisch multitalent. Hij groeide op in showbizzcity. Zijn vader produceerde meer dan honderd televisiefilms en ook zijn moeder en zus zijn in de filmwereld werkzaam. Hij schreef mee aan het scenario voor rampenfilm Armageddon (1998). Maakte meters als tv-producent (Felicity, Alias), regisseerde blockbusters als Mission: Impossible III (2006), produceerde de hippe, grungy monsterfilm Cloverfield (2008). Sinds hij in zijn kinderjaren met zijn Super-8-filmpjes aan een jongerenfilmfestival meedeed, is hij een protegé van Steven Spielberg, die zelf ook zo begon. Dat resulteerde in Super 8 (2011), een ode aan de cinefiele kinderfantasie die exact lijkt op een Spielbergfilm van eind jaren zeventig.

Dat kameleontische talent maakt hem geschikt om na Star Trek nu ook een Star Wars-film te maken, die de nieuwe ‘merkhouder’ Disney in zomer 2015 wil realiseren. Ooit gaapte er een kloof tussen fans van het cerebrale, nerdy en moralistische Star Trek en die van het sciencefictionsprookje met een New Age-saus Star Wars. Dat is geschiedenis; toch moet je bij een nieuwe serie rekening houden met nestgeur en lange tenen. Abrams is de man die de studio’s zo’n delicate operatie toevertrouwen: fans van het eerste uur behouden én jonge kijkers trekken.

Abrams geldt als de ‘hardest working man’ in de filmbusiness, maar blijft op een of andere manier jongensachtig blijmoedig en immuun voor de verveling, de decadentie, de egomanie en de meedogenloosheid van Hollywood. Hij gelooft ontwapenend sterk in de Amerikaanse Droom en in zijn eigen succes. Hij lijkt nog altijd het jochie dat bij zijn grootouders om een Super-8-camera bedelde. Dat blijkt ook uit de TED-lezing waarin hij een ander cadeau van zijn opa uit een weekendtas haalde: een goocheldoos met een groot vraagteken erop. Hij zit nog dichtgeplakt: Abrams hoeft alleen maar naar dat vraagteken te kijken en de verhalen komen vanzelf. Je hoeft niet alles te weten, verhalen mogen best raadselachtig blijven. Dat maakt hem in het formuledenken van Hollywood best verfrissend.