Glanzend met gretige uitspattingen

David Johnson (Hans Sachs), Agneta Eichenholz (Eva)
David Johnson (Hans Sachs), Agneta Eichenholz (Eva)

Opera

Die Meistersinger von Nürnberg van Wagner, De Nederlandse Opera. Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Marc Albrecht. 4/6 Muziektheater Amsterdam. Herh. t/m 23/6.****

Met twee hightech-opera’s werd het Holland Festival deze week geopend. Het leek of Francesconi’s Quartett en Michel van der Aa’s Sunken Garden de nieuwe opera-orde verkondigden: multimediaal en multidimensionaal spektakel, al dan niet met 3D-bril. Maar dinsdag volgde bij De Nederlandse Opera de première van Wagners Die Meistersinger von Nürnberg in een nieuwe regie van David Alden zonder een spoortje video, en blijkt de traditionele opera-enscenering nog lang niet uitgeteld.

Die Meistersinger is dan ook van zichzelf al complex genoeg. Het lijvige libretto behandelt Wagneriaans brede thema’s als traditie en vernieuwing, liefde en status. Bovenal is het een doorwrocht betoog over de (Duitse) kunst als houvast in een veranderende samenleving. Waar de nazi’s weer mee aan de haal gingen, en de opera zo een bijsmaak gaven die wel eeuwig zal blijven beklijven.

Succes gewenst aan de regisseur die recht wil doen aan de gelaagdheid van het werk, zonder zijn publiek halverwege de vijf-en-een-half uur durende voorstelling te verliezen. Alden was eerder verantwoordelijk voor koddige versies van Cavalli’s Ercole Amante en Händels Deidamia. De klucht wordt nu gelukkig goed gedoseerd, al blijft het playbacken op instrumenten licht irriteren.

De meesterzangers van Nürnberg zijn chique geklede conservatoren, gegoede burgers die in een kunstkelder knutselen aan oude schilderijen en instrumenten. Een elitaire hobby, getuige het contrast met de sjofele arbeiders die alleen voor het grove werk worden ingezet. In de eindeloze derde akte vindt Alden de balans in de kale schoenwinkel van schoenmaker/dichter Hans Sachs en de overdaad van de zangwedstrijd waar de hele stad voor uitloopt. Carnavaleske poppen, tableaus vivants en groepsdansen evoceren daar een tijdloos folkloristisch ritueel dat vooral dankzij de bierpullen erg Duits aandoet.

Timing en detaillering zijn ook sleutelwoorden voor dirigent Marc Albrecht, die in zijn eerste Meistersinger meteen wonderen verricht. Met vaart en flexibiliteit stuurt hij zijn glanzend doorzichtige Nederlands Philharmonisch Orkest aan, dat de vele zanglijnen gedienstig volgt maar de orkestrale uitspattingen meteen gretig benut. Met een enkel briesje weten zachte hoorns de sfeer van de midzomernacht te treffen.

Toch, doordat Alden de gelaagdheid recht wil doen vertroebelt soms het totaalbeeld. Overdadig glanzend is de uitrusting van Walther, die vastberaden het zangtoernooi wint en zo zijn geliefde Eva (een jeugdige Agneta Eichenholz) mag huwen. Maar hoe serieus kunnen we zo’n verblindend glimmende ridder nog nemen, ook al wordt hij viriel en vilein gezongen door Roberto Saccà? De oude wijze Sachs krijgt ernstiger gestalte. Maar bas-bariton James Johnson ontbeert charisma en projectie, wat inleving soms bemoeilijkt. Dat hij na zijn lofzang op de Duitse kunst vertwijfeld neerzit, is een lastig te duiden open einde.

Zo komt de grootste nadruk opeens te liggen op stadsklerk Beckmesser, vaak geportretteerd als kruiperige kommaneuker die Walther vergeefs beconcurreert. Anders dan vele anderen neemt David Alden hem wel serieus, als een dandy die buiten de groep staat en zelfs als martelaar wordt gekruisigd. Ook dankzij de beheerste vertolking van Adrian Eröd krijg je warempel medelijden met deze talentloze, door het volk uitgelachen outcast.