Waarom moet altijd alles op tafel?

Er is niets mis met het gebruik van het woord ‘elitair’, betoogt Philip Huff – zolang je er maar de goede betekenis aan geeft.

Foto ANP

Onlangs maakte Frits Abrahams in zijn column in deze krant een zeer scherpe analyse van het hedendaagse medialandschap. Aanleiding was de massale media-aandacht voor Heleen van Royen en Patricia Paay. In Het Parool en de Volkskrant stonden uitgebreide stukken over Van Royen en de schrijfster zat aan tafel bij Pauw & Witteman. Daarnaast besteedden Linda, Flair, Viva en Libelle aandacht haar nieuwe boek. Patricia Paay was een week eerder te gast bij De Wereld Draait Door en Kunststof.

Dat is veel aandacht. En dat moet kunnen. Beide vrouwen hebben immers een boek geschreven. Maar, zo stelde Abrahams, het is ondenkbaar dat RTL Boulevard in dezelfde week een interview zou brengen met Gouden Uil-winnaar Oek de Jong (die toch ook een boek heeft geschreven). Abrahams sprak daarom van „omgekeerd elitarisme”.

Elitarisme is de opvatting dat een elite binnen een groep de meeste inspraak moet hebben in zaken waarin zij het meest serieus wordt genomen. Het is het idee dat mensen met de meeste kunde de meeste aandacht moeten krijgen. Omgekeerd elitarisme is in ieder geval dus het idee dat de grootste groep de meeste inspraak en aandacht moet krijgen – en wellicht ook als het zaken zijn waar ze niet veel van weten of waarin ze niet serieus worden genomen. Boeken zijn vaak een serieus onderwerp. Maar of Van Royen en Paay wat betreft kunde binnen die branche ook de meeste aandacht verdienen? Me dunkt van niet. Ze worden serieus genomen omdat ze veel boeken verkopen.

Niet betrapt kunnen worden

En daar wringt voor Abrahams de schoen. Volgens de columnist – geboortejaar 1946 – is deze vervlakking van de publieke ruimte geen nieuw verschijnsel, maar wel één dat zich uitbreidt, en maar één kant op. Het ‘volkse’ succes moet wel naar de elite worden gebracht, maar het ‘elitaire’ succes is niets voor het volk. Laten we vooral niet te ingewikkeld doen. Het gaat niet om verhevenheid, het gaat om aantallen, omdat we ‘open’ zijn.

Heleen van Royen die voor de honderdste keer over haar vader klept zonder daar een kader bij te geven, Patricia Paay die smakeloos vertelt met wie ze naar bed is geweest.

Volgens mij is de oorsprong (of dan op zijn minst: de versterker) van deze platte vorm van openbaarheid een medialandschap waarin we ons verlustigen aan zaken die eigenlijk heel privé zijn en die zaken niet proberen te gebruiken om tot een dieper begrip te komen, maar gewoon om te smikkelen: Big Brother. In de afleveringen van Big Brother – een kind van John de Mol, misschien bedacht na zijn nacht met Patricia Paay – volgden we ‘normale’ mensen die voor het oog van de natie heel intiem met elkaar omgingen. Het was spraakmakende televisie. Wat het was, was bij de buren naar binnen kijken zonder de angst betrapt te kunnen worden.

Het idee dat alles interessant is en dat het leven altijd meer diepte en belang krijgt door meer blootstelling, meer openheid en meer details over wat er in de slaapkamer gebeurt, is een verkeerde. Het interessante van Abrahams’ column was dat hij door de breedte van de media-aandacht voor Van Royen en Paay kon betogen dat er ook in het wereldbeeld van de elitaire media meer ruimte is gekomen voor dit ‘niet-verhevene’, terwijl dat andersom dus niet het geval is.

Dat Heleen van Royen zoveel aandacht krijgt, kan niet alleen met verkoopcijfers worden verantwoord: ook bijvoorbeeld Tommy Wieringa verkoopt honderdduizenden boeken. En het bleef in de media akelig stil toen Gerbrand Bakker (de auteur van Boven is het stil, meer dan 100.000 verkochte exemplaren in Nederland, internationaal bijna een miljoen, dat zijn inderdaad ‘Van Royen-aantallen’) drie jaar geleden de IMPAC won. Dat is de grootste literaire prijs ter wereld, waarde: 100.000 euro. Geen telefoontje van Pauw & Witteman, Het Parool of NRC Handelsblad. Maar ook niet van Linda of RTL Boulevard. Pas toen zijn nieuwe boek verscheen, kon hij zich hierover beklagen in de boekenbijlage van de Volkskrant.

Balboekje delen

Ik ben ook niet dom: waarschijnlijk ‘doet’ Gerbrand Bakker het minder goed op televisie dan Heleen van Royen of Patricia Paay. Maar waarom? Waarschijnlijk omdat hij niet van plan is zijn balboekje met de rest van Nederland te delen. Omdat de media leren hoe ze mensen hun ingewanden op tafel laten leggen, zonder hun duidelijk uit te leggen waarom – of iemand dit te laten duiden.

Wat Bakker met zijn boeken probeert te doen – en dit is mijn lezing – is aantonen dat het verlies van privacy de opkomst van hypocrisie betekent. En dat wanneer alles verloochend wordt wat niet bij de geaccepteerde, uiterlijke persoon past, dit gaat schuren, en gisten – en tot ongeluk leidt. Voor dat verhaal zou wat mij betreft in de publieke ruimte ook wat aandacht mogen zijn.

Abrahams stelt terecht dat wat hij de ‘onserieuze’ media noemt (een beetje een ongelukkige woordkeuze, vooral ook omdat RTL Boulevard en Libelle net zo serieus zijn in hun onderwerpsbehandeling als de ‘serieuze’ media) veel standbewuster zijn dan de ‘serieuze’ media. Ze beseffen beter wie tot hun doelgroep hoort en handelen daar ook naar: laten we het vooral simpel houden.

Maar waarom volgen de overige media? Waarom ook zoveel simpelheid?

Je kunt je afvragen, zoals Abrahams doet, of Paul Witteman of Volkskrant-hoofdredacteur Philippe Remarque thuis werkelijk de nieuwe Heleen van Royen leest, of de autobiografie van Paay. In het verlengde daarvan kun je je dan weer afvragen: waarom zitten de vrouwen dan bij Witteman aan tafel? Of staan ze in het magazine van Remarques Volkskrant? Dat geldt ook voor de katernen van Het Parool en de pagina’s van deze krant.

Abrahams’ column kan door ruimtegebrek niet verder voeren – maar dan is er gelukkig al wel een punt gemaakt, namelijk de constatering dat serieuze media lijken te twijfelen wat hun klasse en doelgroep is. Ze zijn bang voor het woord ‘elitair’. Maar er is niets mis met het woord elitair. Zolang het niet betekent ‘voor een kleine groep bestemd’, is elitair geen vies woord. Zolang elitair betekent: intelligent, ervaren, verdiepend, creatief en esthetisch prikkelend, is het iets wat wij allemaal zouden moeten nastreven. In ons werk, en in de publieke ruimte. Wat we moeten voorkomen, is te eisen dat iedereen dezelfde houding hanteert, dezelfde gemoedstoestand, dezelfde innerlijke behoefte aan oppervlakkigheid. Want wie dat doet, stelt zijn doelen verkeerd – en creëert eerder meer conflicten dan minder.

Philip Huff (1984) is schrijver. Hij publiceert regelmatig in NRC Handelsblad en nrc.next. Onlangs verscheen de verhalenbundel Goed om hier te zijn. Voor zijn roman Niemand in de stad kreeg hij vorige maand de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs.