Ik ben veel kwijtgeraakt aan de politieke strijd

In de rubriek Thuis& elke week een interview over familie en gezin. Vandaag: Farah Karimi, directeur van Oxfam Novib en oud-Kamerlid voor GroenLinks.

Nederland, Amsterdam, 18-05-2013 Farahnaz (Farah) Karimi, algemeen directeur van de ontwikkelingssamenwerkingsorganisatie Oxfam Novib. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS
Nederland, Amsterdam, 18-05-2013 Farahnaz (Farah) Karimi, algemeen directeur van de ontwikkelingssamenwerkingsorganisatie Oxfam Novib. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2013

Farah Karimi (52) ontvluchtte dertig jaar geleden haar geboorteland Iran. Sinds die tijd leeft ze in ballingschap. Toen vorig jaar haar moeder overleed, kon ze er niet bij zijn.

Uit wat voor gezin komt u?

„Mijn ouders kwamen beiden uit een gegoede familie. In het feodale Iran van toen waren ze grondbezitters, ze leefden op het platteland. Mijn opa van moederskant had vier vrouwen en van elke vrouw kreeg hij zeven of acht kinderen. Van al die kinderen was mijn moeder de oudste. Ik ben geboren in Garos, een dorp in Iraans Koerdistan, als eerste meisje na vier jongens. Ik was mijn vaders oogappel. Omdat mijn ouders vonden dat ik een opleiding moest hebben, besloten ze naar Teheran te verhuizen, want in onze streek was geen school voor meisjes. Daar ben ik ze erg dankbaar voor.”

Hoe zou u uw vader omschrijven?

„Vooruitstrevend. Trots. Zeer sociaal. Ons huis was altijd vol, met familie, met mensen uit het dorp waar we vandaan kwamen, met hun kinderen die in Teheran naar school gingen en zolang bij ons woonden. Voor iedereen die maar een probleem had, stond onze deur altijd open. Die betrokkenheid werd weliswaar van hem verwacht – mijn vader was een man van aanzien – maar hij nam de rol van patriarch maar al te graag en met verve op zich. Gastvrijheid, een enorm verantwoordelijkheidsgevoel voor de gemeenschap waarin je leeft en waar je vandaan komt – met die waarden ben ik opgegroeid. En dat heeft waarschijnlijk de basis gelegd voor mijn latere politieke activiteiten.”

En uw moeder?

„Omdat haar ouders welvarend waren, kon ze als een van de eerste meisjes in Iran onderwijs volgen, op een particuliere koranschool. Gewone scholen voor meisjes waren er nog niet in haar tijd. Meer dan vijf jaar basisschool was het niet, maar het was genoeg om onderwijzeres te kunnen worden. Ze heeft er altijd spijt van gehad dat ze dat niet heeft gedaan, haar leven stond in het teken van het gezin. Wel heeft ze zichzelf ontwikkeld door veel te lezen. Op latere leeftijd, toen de kinderen het huis uit waren, heeft ze mooie gedichten geschreven.

„Mijn moeder was gehecht aan haar sociale status. In Teheran had mijn vader geprobeerd om in zaken te gaan, maar daar had hij weinig gevoel voor. Veel geld ging op aan het financieel ondersteunen van familie en kennissen. Het was heel moeilijk voor mijn moeder toen we ons op zeker moment geen dienstmeisje meer konden veroorloven en zij zelf het huishouden moest gaan doen. Het maakte haar erg ontevreden. Dat verlies aan glorie en welvaart heeft ze nooit kunnen accepteren.”

Wat is de les die u van uw ouders hebt meegekregen?

„Mijn moeder heeft me van kleins af aan ingepeperd dat ik nóóit financieel afhankelijk zou mogen zijn van een man. Ik herinner me nog hoe ze me vertroetelde tijdens het eindexamen van de middelbare school. Ze bracht me eten en drinken, en ’s avonds legde ze mijn kleren klaar, prachtig gestreken. Toen ik als eerste van de familie het toelatingsexamen voor de universiteit haalde, waren mijn ouders apetrots.

„In mijn studententijd sloot ik me na de val van de sjah aan bij een islamitisch-linkse verzetsbeweging, de Mujahedien Khalq. Daar waren mijn ouders het niet mee eens, en de man met wie ik trouwde, iemand uit de beweging, vonden ze niks. Maar toen ik in 1983 het land uit wilde met hem omdat het te gevaarlijk werd, heeft mijn vader ons geholpen te vluchten. Ik heb altijd, wat ik ook deed, op de onvoorwaardelijke steun van mijn ouders kunnen rekenen.”

Wanneer was de laatste grote familiebijeenkomst?

„De eerste twintig jaar na mijn vlucht kon ik niet terug naar Iran. Mijn ouders hebben me wel een paar keer in Nederland bezocht. Tijdens een van die bezoeken moest ik hen vertellen dat mijn zusje, die ook bij de Mujahedien zat, niet teruggekomen was na een gewapend conflict met het Iraanse leger. Ik wist al bijna een jaar dat ze vermist was en hoogstwaarschijnlijk gesneuveld, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om het hen door te telefoon te vertellen. Jarenlang wilden ze niet geloven dat ze dood was, hoewel niemand van haar strijdmakkers het overleefd had. Maar haar lichaam is nooit gevonden. Mijn vader is alle gevangenissen van het land af geweest in de hoop haar daar te vinden.

„,Tussen 2003 en 2005, de laatste jaren van het bewind van Khatami, toen er een wat minder straffe wind waaide, heb ik Iran een paar keer kunnen bezoeken. Tegenwoordig, onder Ahmadinejads bewind, is de kans dat ik word opgepakt te groot. Ik weet dat er een dik dossier van mij ligt, gevluchte mensenrechtenactivisten vertellen me dat ze tijdens verhoren vragen kregen over mij. Laatst stond in een van de regeringsgezinde kranten dat ik onderdeel zou zijn van een „zionistisch-feministische samenzwering”. Alben ik dertig jaar geleden gevlucht, de gevolgen duren tot de dag van vandaag voort. Ballingschap houdt nooit op. Mijn moeder is eind vorig jaar overleden. Ik kon niet bij haar sterfbed zijn, niet bij haar begrafenis. Het was voor mij de moeilijkste tijd sinds ik uit Iran weg ben.”

Hoe vaak belt u met uw vader?

„Twee of drie keer per week. Telefoneren wordt steeds lastiger voor hem, hij heeft de ziekte van Parkinson. Hij kan niet accepteren dat hij hulpbehoevend is, hij wil nog steeds alles alleen doen, terwijl de hele familie klaarstaat om hem te helpen. Daar gaan al onze gesprekken over, en over de aanstaande verkiezingen in Iran.

,,Mijn vader mist mij heel erg. In 2003, toen ik voor het eerst weer terug was, vroegen mijn ouders of ik me alsjeblieft gedeisd wilde houden. ‘Er zijn zoveel andere landen, bemoei je daarmee, maar alsjeblieft niet met Iran.’ Ik heb het overwogen, ik hóéfde de mensenrechtenbeweging in Iran niet te steunen, ik hóéfde geen amendementen en moties in te dienen in de Tweede Kamer. Ik ben veel kwijtgeraakt aan de politieke strijd. Toen mijn moeder overleden was en ik er niet bij kon zijn, heb ik mezelf afgevraagd of het het allemaal waard was geweest. Ik antwoord moest wel ‘ja’ zijn, anders zou mijn hele leven één groot vraagteken zijn. En al sta ik niet meer achter mijn keuze voor het gewapend verzet van de Mujahedien Khalq, ik vecht nog steeds voor dezelfde waarden. Maar de prijs is hoog.”

Hoe vult uw partner u aan?

„Mijn man en ik zijn al vijfentwintig jaar samen. Ik leerde hem kennen in Hamburg, waar ik een paar jaar heb gewoond voor ik naar Nederland kwam. Behalve in wat we belangrijk vinden in het leven, zijn we zo verschillend als twee mensen maar kunnen zijn. Hij is rustig en bedachtzaam, ik ben ongeduldig en wil de wereld veranderen. Lang voelde hij zich als Duitser niet thuis in Nederland, vanwege de beladen geschiedenis. Het is een van de redenen dat we een tijdje uit elkaar zijn geweest. Intusxsen heeft hij geaccepteerd dat hij ook migrant is, en zijn we opnieuw getrouwd.”

Wat wilt u uw kind meegeven?

„Mijn zoon werd geboren tijdens mijn vlucht uit Iran. Hij is het geluk van mijn leven. De onvoorwaardelijke liefde en steun die ik van mijn ouders kreeg, heb ik hem ook altijd gegeven, ook toen hij een lastige puber was en hij het mij weleens moeilijk maakte. Dat heeft een sterke band geschapen tussen ons.”