De diepe crisis van links, die zo zelden in beeld komt

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Dennis Wiersma, VVD’er in de FNV, en de verborgen crisis van de sociaal-democratie.

Illustratie Hajo

Pronk uit de PvdA, Dijsselbloem uit de eurogroep, extra bezuinigingen terug op tafel. De week bevatte weer volop ongemak voor de sociaal-democratie. Maar veel wijst erop dat de VVD deze zomer aan een nieuwe ronde zelfverwonding begint. Dus de nogal fundamentele crisis van links, waarover Paul de Beer deze maand een schitterend stuk schrijft in Socialisme & Democratie, zal wel weer te abstract zijn tegenover het sappige interne conflict bij de liberalen – al mag je nooit uitsluiten dat Rutte en Zijlstra lering trekken uit eerdere ervaringen.

Het woord van de week was wat mij betreft klasse. Jarenlang alleen nog gehoord van sportverslaggevers. Nu stond het ineens in het opstel waarmee Jan Pronk zijn partijlidmaatschap opzegde. Het bevreemdde Pronk, schreef hij, dat inzake de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking geen ‘klasse analyse’ (hij bedoelde klassenanalyse) was gemaakt van de kloof tussen arm en rijk. Marxistische terminologie om de PvdA anno 2013 onder vuur te nemen – het gaf het probleem van Pronk, en de partij, eigenlijk vrij goed weer.

De PvdA heeft op dit moment leiders met een voortreffelijk instinct, dus Samsom en Spekman maakten niet de fout Pronk af te doen als oude zeur. Het geschamper kwam uit de de derde ring, zoals van de voorzitter van de Jonge Socialisten (‘blij dat-ie eindelijk weg is’), alsmede van anonymi die her en der geciteerd werden. Beroepspolitici hebben nu eenmaal zoveel sores dat zij geen zin hebben in betweters van vroeger – al blijft dit een wonderlijk fenomeen: in weinig andere beroepsgroepen zullen ze kennis en ervaring per definitie als verdachte eigenschappen beschouwen.

Het probleem voor alle sociaal-democraten is natuurlijk dat het onmogelijk is Pronk aan te vallen: hij leeft in hen voort. Het is makkelijk grappen maken over het plansocialisme en de Nieuwe Internationale Economische Orde (1971) – maar weinig PvdA’ers zullen ooit zoveel invloed op hun partij en hun land hebben. Niemand paste inhoudelijk en qua temperament zo goed bij Den Uyl. Hij was de man die, met Schuivende panelen (1987), het pad effende voor het realo leiderschap van Kok. Hij slaagde er decennialang in Nederland en zijn politici – van Wiegel tot en met Halsema – op te dringen dat internationale solidariteit met de zwakken een nationale morele plicht was. Dus de PvdA’er die Pronk afserveert, serveert in feite de eigen partij af.

Niet dat de uitkomst van zijn werk zo indrukwekkend is. Ik kwam erover te spreken met Paul de Beer, toen we dat S&D-artikel doornamen. Uiterst pijnlijk stuk voor een partij die sinds haar oprichting (1946) streeft naar gelijke kansen en verkleining van sociale verschillen. Want ondanks alles groeit de sociale ongelijkheid weer, schrijft De Beer. Het is erger: méér dan in de jaren zeventig en tachtig bepaalt je afkomst je kansen.

Tekent dit niet, zei ik, de totale crisis waarin de PvdA verkeert? „De sociaal-democratie heeft geen antwoord. Dat is waar”, zei Paul de Beer, die eerder bij de Wiardi Beckmanstichting werkte, de denktank van de partij. Nu is hij hoogleraar arbeidsverhoudingen in Amsterdam en verbonden aan het wetenschappelijk bureau van de vakbeweging.

In het S&D-stuk legt hij uit wat er misging. Het ideaal van gelijke onderwijskansen ongeacht afkomst, de meritocratie, veroorzaakte een tweedeling die „hardnekkiger en scherper” is dan de klassenmaatschappij ooit was: talent wordt beloond, getalenteerden trouwen elkaar, zodat de kloof met minder getalenteerden uiteindelijk „in hoge mate erfelijk wordt bepaald”.

Het is – vanuit sociaal-democratisch oogpunt – schokkend eenvoudig. En eenvoudig schokkend. „We zijn terug bij honderd jaar geleden, toen de plek waar je wieg stond je kansen bepaalde”, zei De Beer. De kritiek van Pronk deze week imponeerde hem dan ook zeker niet. Zijn oplossingen zijn „ineffectief” gebleken. En zijn analyse, „hoe sympathiek ook”, is hopeloos verouderd. „Alsof er de laatste dertig jaar niets is gebeurd.”

De mogelijkheden om nog iets te doen zijn schraal. Zo kun je met nivelleren pijn verzachten, maar niet het probleem oplossen. En het is gemakkelijk de mislukking van de inkomensafhankelijke zorgpremie in de schoenen van de VVD te schuiven, zei De Beer, „maar het probleem was natuurlijk dat ook de PvdA-achterban terugschrok van de gevolgen”.

Samsoms sterke leiderschap veroorzaakt dat dit soort fundamentele problemen zich gemakkelijk aan de aandacht onttrekt – ook al vreten ze de geloofwaardigheid van de PvdA aan. Tegelijk kun je PvdA-bewindslieden nu vergaand liberale stellingen zien betrekken. Ik hoorde Jeroen Dijsselbloem, een dag voordat de Duitsers hem afserveerden, deze week in een debatje opmerken dat „de markt” het beste instrument is om milieuvriendelijkheid te bereiken. „Overheidsbemoeienis heeft duurzaamheid de laatste jaren eerder geremd”, zei hij. Met zulke PvdA’ers heb je op den duur geen VVD’ers meer nodig.

Dijsselbloem is ook een centrale figuur bij het grote politieke spel dat zich deze zomer zal voltrekken. De extra bezuinigingen voor 2014, eerder opgeschort om de FNV te binden aan het sociaal akkoord, komen nu, in grotere omvang, alsnog op het kabinet af. Maar de akkoorden (sociaal en zorg) die dit voorjaar zijn gesloten, beperken de mogelijkheden, er is weinig tijd meer, en zo kun je zomaar op een scenario uitkomen waarbij de lasten opnieuw fors verhoogd worden om de 3 procent te halen. Het alternatief: een hoger tekort. Dus elke uitkomst is onaantrekkelijk voor de VVD, en gezien de spanningen tussen Rutte en Zijlstra rond ditzelfde sociaal akkoord, is ’t dus nog even de vraag hoe de VVD dit dacht te gaan managen.

Ook de vakbeweging staat er natuurlijk niet geweldig op: blijken die nieuwe bezuinigingen, waarvan Heerts zo stoer zei dat ze van tafel waren, in grotere omvang alsnog op diezelfde tafel te liggen. Ik belde er aan het einde van de week over met Dennis Wiersma (27), ook al zo’n jongen die de identiteitscrisis van links illustreert: voorzitter van FNV Jong (tot vrijdag), voormalig ‘jonge fortuynist’, en sinds 2006 VVD-lid.

Ik vroeg wat de FNV moest doen: uit het sociaal akkoord stappen, en alsnog tegen het kabinet opponeren? Hij aarzelde. Enkele mogelijke bezuinigingen leken hem onaantrekkelijk voor jongeren. „Maar ik denk dat mijn generatie ook het moment nadert dat we zeggen: we kunnen geen schulden blijven maken.”

Hij was een radde prater, die over zijn VVD-lidmaatschap het voor de hand liggende vertelde: niet alle FNV’ers zijn links, dus bestuurders hoeven dit ook niet te zijn. Hij sprak over zijn academische achtergrond (sociologie), zijn rol in de studentenbond, en over cursussen die hij bij campagnebureau BKB volgde, waar hij leerde „hoe je een politiek onderwerp in de markt zet”. En dat je vooral jezelf moet verkopen. „Je leert daar eigenlijk om alles te verkopen.”

Zo lost links dus zijn crisis op. Je haalt iemand uit een andere partij en transformeert (vakbonds)politiek tot reclame. Dennis Wiersma klonk er volstrekt oprecht over. Hij had zijn doelstellingen gehaald, vertelde hij. Hij had een jongerenbond opgericht, 3.000 leden geworven, en nu, twee jaar later, ging hij dus weer iets anders doen. Misschien in de zorg, het onderwijs of de pensioenen. Hij wist het nog niet precies. En later, veel later, ging hij misschien nog eens voor de VVD de landelijke politiek in, vertelde hij.

Ik hoorde hem praten en dacht: knap als Pronk ook deze jongen een plaatsje in zijn ‘klasse analyse’ weet te geven.