Opinie

Dit is een artikel uit het NRC-archief

Boeken

Boeken van redacteuren bespreken blijft een mijnenveld van belangen

De ombudsman

Arie van de Berg had een tijdje terug genóten van de jongste bundel van Marjoleine de Vos. Sublieme bundel. Toppoëzie.

Voorpublicaties en marketing maken het de recensent lastig

Eén probleem, schreef een lezer: Van den Berg is recensent van NRC Handelsblad, en De Vos is redacteur van NRC Handelsblad.

Kan dat wel?

Hij vindt van niet. Het wekt de indruk van vriendjespolitiek. Boeken van redacteuren of vaste medewerkers zouden volgens hem helemaal niet besproken moeten worden, ook niet als ze Kousbroek of Grunberg heten. Pech gehad.

Dat laatste vindt chef Boeken Michel Krielaars te ver gaan, en ik ook. Want met zo’n algemeen verbod zou de krant haar journalistieke taak schaden – en dat is lezers inlichten over interessante boeken, óók als die afkomstig zijn van auteurs die in de krant schrijven.

Maar er zijn natuurlijk regels: redacteuren mogen niet elkáárs boeken bespreken. Ook warme vriendschap of juist verhitte animositeit tussen recensent en auteur moeten taboe zijn. Boekenbijlages van de meeste grote kranten hanteren vergelijkbare richtlijnen.

Gaat dat altijd goed? Nee. Elke kroniek van een tweedy backwater (zoals de boekenbijlage van The New York Times ooit spottend is genoemd) bevat wel een horrorverhaal over aartsvijanden die het uitknokken in de kolommen zonder dat de redactie dat beseft, of een bespreking die ‘over moet’ omdat een boek van de recensent eerder blijkt te zijn afgekraakt door de auteur die hij nu vermorzelt.

In dit geval: Van den Berg is een gereputeerde bespreker en geen persoonlijke vriend van Marjoleine de Vos. Maar ja, hij is voor zijn broodwinning wel (deels) afhankelijk van háár krant. Ik twijfel dus niet aan zijn oordeel, maar ik had het toch beter gevonden als de krant voor dit boek een andere poëziekenner had gevonden.

Nu moet je ook niet doorschieten in purisme en elke recensent de deur wijzen die een schrijver wel eens beleefd een hand heeft gegeven, of op een feestje heeft ontmoet. Een goede boekenbijlage heeft recensenten die bewezen hebben onafhankelijk te oordelen. En een zeker clubgevoel hoort er ook bij, in het ribfluwelen achterland van de krant.

Maar hoe moet de krant dan omgaan met ‘eigen’ boeken?

Eerst een verplicht moment transparantie: ik was zelf chef Boeken bij deze krant (de mooiste baan in de journalistiek), van 1999 tot 2005. Het beleid was toen (en nu nog, verzekert Krielaars me) dat een boek van een redacteur enkel wordt besproken als het interessant genoeg is. Dat lijkt een open deur, maar is het niet: alleen al de auteursnaam (de nieuwe Grunberg!) of een internationale hype (wat vindt de krant nu eigenlijk van Fifty Shades of Grey?) kan een bespreking rechtvaardigen.

Het hangt er ook van af of het een nieuw boek is of louter een bundeling van eerder gepubliceerde stukken. De laatste worden in de regel niet besproken. Maar correspondenten van de krant maken bijvoorbeeld vaak ook een boek over ‘hun’ land. Lezers die hen hebben gevolgd, willen daar wel een recensie van (nee, niet door een collega).

Maar het blijft lastig, en geen enkele boekenredactie is er dol op. De interne druk om boeken van redacteuren te bespreken kan groot zijn. Door de auteur, die in zijn eigen krant besproken wil worden, maar ook door collega’s en chefs. Dan moeten boekenredacteuren hun rug recht houden en zijn ze opeens een stuk minder populair.

Het wordt nog wat lastiger als de krant, of de marketingafdeling, boeken van collega’s ook nog eens in het zonnetje gaat zetten, met voorpublicaties of advertenties.

Dat gebeurt niet zelden. De afgelopen tien jaar plaatste de krant voorpublicaties uit deze boeken van redacteuren en (oud-) medewerkers: Frank Westerman, Ingenieurs van de ziel (2002), Jutta Chorus en Menno de Galan, In de ban van Fortuyn (2002), Renée Postma, Midden-Europa achter de schermen (2004), Joyce Roodnat, 100x aan de wandel (2004), Frank Westerman, El Negro en ik (2004), Cees Banning en Petra de Koning, Balkan aan de Noordzee (2005), Daniela Hooghiemstra, Vertel dit toch aan niemand (2006), Caroline de Gruyter, De Europeanen (2006), Gert Jan de Vries, Gedroomd Wielrijden (2006) Frank Westerman, Ararat (2007), Garrie van Pinxteren, China (2007), Rudy Kousbroek, Medereizigers (2009), Daan van Lent en Egbert Kalse, Bankroet (2009), Jaus Müller, Op missie (2009), Franca Treur, Dorsvloer vol confetti (2009), Hans den Hartog Jager, Het sublieme (2011), Elsbeth Etty, De Nederlandse erotische literatuur in 80 en enige verhalen (2011), Jannetje Koelewijn, De hemel bestaat niet (2011), Tracy Metz, Zoet & zout (2012), Tom-Jan Meeus, De grote Amerika-show (2012), Floris van Straaten, Londen, multicultureel Mekka aan de Theems (2012), Birgit Donker en Piethein Burmanje, Kleine mannetjes (2012), Geert Mak, Reizen zonder John (2012), Henk van Gelder, Joop van den Ende (2012).

En dan tel ik niet de boeken mee die in afleveringen eerst in de krant zijn gepubliceerd, zoals Macbeth heeft echt geleefd van Pieter Steinz.

Van die 25 voorgepubliceerde boeken werden er 18 ook nog besproken in de krant. Soms in een ‘verzamelrecensie’ met andere boeken. En tegelijk wordt voor die boeken – als ze tenminste uitkomen bij een uitgeverij waarmee de krant banden heeft – vaak ook nog fors reclame gemaakt in de krant.

Logisch, op zich: een krant zou ook wel gek zijn als mooi werk van redacteuren niet wordt gepromoot. Maar het heeft wel redactionele consequenties. Want dan wordt het juist voor een boekenbijlage nog meer zaak om niet de indruk te wekken dat er vriendjespolitiek met die boeken wordt bedreven.

Dan zit er niks anders op dan zo strikt mogelijk zijn met bespreken van ‘eigen’ boeken. Bij twijfel geldt: niet inhalen.