Ze moet er even over nadenken

Lydia Davis kreeg de Man Booker International Prize voor haar korte verhalen. Schrijfster Sanneke van Hassel over haar bewondering voor deze geweldige observator en analyticus.

De Amerikaanse schrijfster Lydia Davis bij de toekenning van de Britse Man Booker International Prize 2013 in Londen op 22 mei j.l. Foto AP

Een verademing: korteverhalenschrijfster Lydia Davis (1946) wint de Britse Man Booker International Prize 2013. Een oeuvreprijs, voor haar complete literaire vermogen. Met de keuze voor Davis bevestigt de uit schrijvers bestaande jury de waarde van zowel kort als onorthodox proza. Opmerkelijk, want hoewel bondigheid onder dichters nooit als probleem is beschouwd, wordt in de wereld van de prozaïsten vaak over korte verhalen gesproken als ‘vingeroefeningen’ of ‘opzetjes voor een roman’.

Op de eigenwijze shortlist van de Man Booker Prize staan vier andere schrijvers die uitmunten in de korte vorm: Peter Stamm, Josip Novakovich, Intizar Husain en U.R. Ananthamurthy. De lijst vertegenwoordigt negen nationaliteiten en ook veel migranten, zoals een Kroatische Canadees en een Israëliër die van oorsprong uit Roemenië komt. Lof voor de jury die de Angelsaksische bestsellervensters openzet voor een royale vertegenwoordiging van planeet aarde.

Bovenop deze bonte stapel ligt het werk van Lydia Davis. Haar oeuvre vormt een even geestige als scherpe weerlegging van de opinie dat kort werk minder inspanning en intelligentie zou behoeven, of minder plezier zou verschaffen dan een dikke roman. Het bestaat niet alleen uit haar zevenhonderd pagina’s tellende The Collected Stories of Lydia Davis (2009), in het Nederlands vertaald door Peter Bergsma en verdeeld over twee boeken (Bezoek aan haar man en Varianten van ongemak en andere verhalen), maar ook uit de roman The End of the Story (1994) en een boekje als The Cows (2011), met observaties van de buurkoeien die ze uit haar raam ziet.

Schaakspel

Behalve dat Davis’ (soms zeer korte) verhalen ‘a good read’ zijn, sporen zij aan tot verkennen van de korte vorm. Een verhaal van haar kan bestaan uit een taalkundig probleem, een observatie van een vlieg in de bus, een filosofisch concept, een aforisme of een mensenleven. Juist het korte verhaal is geschikt voor experiment. Aangezien een schrijver van dit genre niet per se te maken heeft met ambachtelijke zaken als spanningsboog en ontwikkeling, kan hij elke ingeving serieus nemen en op scherp stellen. Wat een vrijheid om een verhaal te schrijven als ‘Slapeloosheid’, dat in zijn geheel luidt: ‘Mijn lichaam doet zo’n pijn. Het zal wel door dit zware bed komen dat van onder tegen me aan drukt.’

De staat van verwondering en opgewekt filosofische verwarring die uit haar werk spreekt is aanstekelijk. Sinds ik Lydia Davis lees, beland ik regelmatig in haar verhalen. Onlangs zat ik in de trein naast een in het zwart gekleed stel, verbaal begaafd, vermoedelijk hoger opgeleid. Ze overleggen hoe ze deze zomer ‘hun zoon zullen verdelen’. De man, die duidelijk van planning houdt, presenteert zijn ideeën. Een paar keer laat hij het woord kamperen vallen (een activiteit die zij duidelijk verafschuwt). Ook zegt hij dat er van hem wel een vriendje mee mag. Je kunt het niet maken, zegt hij, om onze zoon drie weken ‘helemaal voor jezelf te houden’. Het gesprek wordt feller. Hij gaat harder praten, zij keert naar binnen, zegt uiteindelijk op alles: ‘Ik moet er even over nadenken.’ Mokkend delen ze de krant doormidden, om over te gaan tot een genuanceerd gesprek over de steekpartij in Londen.

Ik zit naast een verhaal van Lydia Davis: een eigentijds drama, een psychologisch schaakspel tussen twee mensen ‘over de kinderen’ zoals dat in menig al dan niet uit elkaar gevallen gezin voorkomt. Absurdistisch en pijnlijk. De neuroses van de personages liggen dicht aan de oppervlakte. Ieder heeft een eigen werkelijkheid waaraan hij koppig vasthoudt.

Wat ik in de trein niet deed en wat Lydia Davis wel zou doen, is nauwkeurig de uitspraken van de partners in crime noteren en stap voor stap hun argumentatie weergeven. Davis weegt elk woord, fileert emoties, wantrouwt drijfveren. In een interview met Wim Brands tijdens een avond van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam in 2011 vertelde ze dat ze altijd een notitieboekje bij zich heeft waarin ze voorvallen noteert. Als een jager ligt ze op de loer. Tot de voorvallen behoren haar gedachten, die ze ontleedt als betrof het de grammatica van een taal. Davis’ precisie en bewustzijn van de (on)mogelijkheden van taal moet wel verband houden met haar werk als vertaler Frans van onder andere Proust en Flaubert.

In het verhaal ‘Foucault en potlood’ probeert iemand (zijzelf?) in de wachtkamer van de therapeut de filosoof Foucault te lezen. Op de terugweg in de metro wisselt ze analyse van Foucaults tekst af met grip krijgen op de ruzie die in therapie werd besproken. Het jachtige, obsessieve denken geeft ze weer in telegramstijl. Collega-bewonderaar Jonathan Franzen zegt: ‘Davis is a magician of self-consciousness.’

Inderdaad, en behalve een voortreffelijk analyticus met verhoogd zelfbewustzijn is ze een geweldig observator. Soms zijn haar verhalen in hun beeldende kracht poëzie. Neem het verhaal ‘Het uitje’: ‘Een woede-uitbarsting langs de weg, een weigering om te praten op het pad, zwijgen in de dennenbossen, zwijgen bij het oversteken van de oude spoorbrug, een poging tot vriendelijkheid in het water, een weigering de ruzie te beëindigen op de platte stenen, een kreet van woede op de steile zandoever, huilen tussen de bosjes.’ Herkenbaar, kort en geestig.

Een ander ‘subgenre’ waarin ze uitmunt is de beknopte levensgeschiedenis. In enkele pagina’s schetst ze scènes uit het leven van al dan niet fictieve excentriekelingen als de vioolspelende Japanner Shinitshi, Lord Royston en Marie Curie.

Het werk van Lydia Davis is een uitgekiend spel: in een korte tekst moet elke zin, elke alinea interessant zijn en verwijzen naar een grotere (ideeën)wereld. Ik houd ervan als een schrijver je dwingt stil te staan bij zijn zinnen. Als er meer staat dan er staat. Bij sommige romans denk ik na een pagina of dertig: ik geloof dat ik wel weet waar de schrijver het met mij over wil hebben en wat hij wil beweren. Het begin, waarin hij de personages ten tonele voert en de thema’s introduceert, vind ik vaak het interessantst. Mijn verbeelding wordt geactiveerd en er is van alles mogelijk, net als in de werkelijkheid, waarin een keurige afwerking meestal uitblijft.

Verbrokkeld

Vrijwel al Davis’ verhalen getuigen ervan hoe we met taal een werkelijkheid creëren. In zijn controversiële essay Reality Hunger stelt Davis-liefhebber David Shields dat de klassieke roman een vrij gesloten vorm is die geen meer recht doet aan de hedendaagse beleving van de werkelijkheid. Shields prijst literatuur die ‘chunks of reality’ presenteert. Davis kiest voor een vorm en een lengte die past bij haar onderwerp. Neem het verbrokkelde verhaal ‘Wat je over de baby leert’ dat ze vertelt in vijf pagina’s met zevenendertig teksten met titels als ‘Verbonden door één enkele tepel’ en ‘Wanorde’. Davis schrijft: ‘Je leert dat je nooit mag verwachten dat je iets kunt afmaken. De baby staart bijvoorbeeld naar een rode bal. Je maakt een paar grote radijzen schoon. De baby begint onrustig te worden als je er vier hebt schoongemaakt en er nog acht te gaan hebt.’ Een verhaal dat ontroerend, filosofisch en hilarisch is en een must voor iedereen die kinderen heeft, of juist voor wie ze niet heeft.

Rachel Cusk bepleitte onlangs dat vrouwelijke schrijvers de vrouwelijke ervaring serieus moeten nemen. Ook hierin slaagt Lydia Davis op veel manieren. Neem haar verhalen over echtscheiding. Ze zijn geestig maar humor wordt niet ingezet, zoals je bij veel hedendaagse schrijfsters ziet, om de geschetste problematiek direct te relativeren. Uiteindelijk zijn ze vooral schrijnend en complex en doen recht aan de ervaring van een scheiding. Virginia Woolf, zegt Cusk, erkende dat de vrouw die schrijft misschien eerst alles kapot moet maken – de zin, de volgorde, de romanvorm zelf – om haar eigen literatuur te kunnen scheppen. Als Woolf nog zou leven, zou ik haar adviseren: lees Lydia Davis.

Het werk van Lydia Davis wordt in vertaling uitgegeven door Atlas Contact. De verhalen van Sanneke van Hassel worden uitgegeven door De Bezige Bij. Haar laatste bundel is Ezels (2012).