Springlevende, vrijheid vierende opera door heel Rotterdam

Operadagen Rotterdam. Gezien: 28 en 29/5. Nog t/m 2/6 op diverse locaties in Rotterdam. Inl. operadagenrotterdam.nl

De liefde die je in oorlogstijd voor je dierbaren voelt, is sterker dan ooit in kunst uitgedrukt kan worden. Aldus een uitspraak van een oorlogsvluchteling, waarmee de voorstelling Songs of War tijdens de Operadagen Rotterdam werd geopend. Waarna de kunst natuurlijk alsnog een poging deed, aan zulke emoties een uitdrukking te geven.

Monteverdi’s oorlogsmadrigaal Tancredi e Clorinda werd door regisseur Wouter van Looy gekoppeld aan tv-beelden van recente oorlogen. Dat wrong, maar op een intrigerende manier. Monteverdi’s verfijnde betoog over hoogmoed, bekering en oorlogsleed kreeg door de soms gruwelijke beelden een rauw realistische bijklank. Tegelijkertijd gaf de troostrijke muziek aan het beeldmateriaal abstractie en betekenis.

Aansluitend maakte sopraan Claron McFadden in Sequenza per voce van Luciano Berio de consequenties van geweld woordeloos invoelbaar: gestileerde wanhoop, verklankt met nerveus gemurmel en gesmoorde kreten.

Het was de officiële aftrap van de Operadagen Rotterdam, die door bezuinigingen zijn getroffen maar niet ontmoedigd. Dat het genre opera – of liever: muziektheater – springlevend is, moeten kleinschalige voorstellingen op tientallen locaties in Rotterdam bewijzen. Experimenten kunnen soms mislukken. Maar met Songs of War werd het festivalthema ‘Vrijheid’ stevig verankerd.

Dat is ook zeker te danken aan Heiner Goebbels, de eeuwig experimenterende Duitse regisseur/componist die niet tot mislukkingen in staat lijkt. Zijn Songs of war I have seen is de tegenhanger van de Monteverdi-met-video. Hier wordt niet de rauwe realiteit invoelbaar gemaakt, maar juist de onwerkelijke sfeer van een plek waar het geweld ondanks oorlog niet echt doordringt.

Goebbels baseerde zich op dagboeken van Gertrude Stein, die zich in de Tweede Wereldoorlog op het Franse platteland bevond. In de associatieve teksten verwondert ze zich voortdurend, bijvoorbeeld over hoe er geen suiker meer te krijgen is maar des te meer honing.

Door de vrouwelijke leden van barokensemble B’Rock de teksten bij lamplicht te laten voorlezen, creëert Goebbels een sfeer van ingetogen huiselijkheid. De mannelijke blazers zitten op de achtergrond, als symbool van de verre gevechtslinie. Soms komt die dreiging dichtbij: in Goebbels’ eclectische muziek worden flarden barokmuziek door aanzwellende klankvelden ondermijnd.

‘Traditionele’ opera bieden de Operadagen niet, of het moet Leos Janáceks Katia Kabanova zijn van Théâtre des Bouffes du Nord. Het gezelschap, dat met Peter Brooks al eens een uitgeklede Zauberflöte bracht, presenteerde Janáceks opera als kammerspiel. Onvermijdelijk klonk de door piano vervangen orkestpartituur wat karig en minder intens. Maar het ontbreken van orkest en dirigent versterkte de intimiteit van het overspeldrama.

Door de intieme setting konden de zangers (waaronder een sterke Kelly Hodson in de titelrol) meestal subtiel acteren, en werd het spraakrealisme dat Janácek in zijn zanglijnen legde nog benadrukt. Dat zelfs het genre opera in kleinschalige vorm ook heel effectief kan zijn, is in tijden van bezuiniging bemoedigend.