Solo in Afghanistan

Het was een moedig besluit van Natalie Righton om zich in 2010 als correspondent van de Volkskrant in de Afghaanse hoofdstad Kabul te vestigen, zonder twijfel een van de gevaarlijkste hoofdsteden ter wereld. Duizend dagen extreem leven later is ze terug in Nederland en blikt ze in boekvorm terug op haar Afghaanse jaren.

Het is een vlot geschreven boek geworden met veel voorbeelden uit het dagelijks leven in Afghanistan. Daarin wordt veel bloed vergoten. Indringend beschrijft ze hoe het supermarktje waar ze vaak kwam, werd opgeblazen en hoe ze daar even later het levenloze lichaam van een negenjarig meisje aantrof, een asgrauwe kleur op het gezichtje. En over haar angst toen er even later een man kwam aanrennen, ‘Allahu Akbar’ roepend. Die gaat een nieuwe aanslag plegen, was haar eerste reactie en die van anderen. Maar het bleek slechts een wanhopige vader te zijn, op zoek naar zijn vermiste kind. ‘Vanaf dit moment is de oorlog langzaam onder mijn huid gekropen, realiseer ik mij achteraf’, schrijft Righton.

Maar ze neemt de lezer ook mee naar een Afghaanse bruiloft, waar mannen en vrouwen streng van elkaar gescheiden blijven. Tot haar verbazing ziet ze hoe de vrouwen zich ontdoen van hun burka’s en hoofddoeken en zich overgeven aan een wilde danspartij. ‘Er wordt zoveel in elkaars borsten en billen geknepen dat ik ervan schrik’, schrijft de oorlogscorrespondent.

Opwekkend is het boek niet. Righton laat overtuigend zien dat de gemiddelde Afghaan weinig of geen vertrouwen meer heeft in het corrupte bewind van president Hamid Karzai. Evenmin is er nog veel waardering over voor de Amerikanen en hun bondgenoten, hoe welkom die in 2001 na de verdrijving van de Talibaan ook waren. Maar die boodschap vindt Righton zelf kennelijk ook zo belangrijk dat we die ten minste tien keer krijgen voorgeschoteld.

Terecht wijst ze er ook op dat de Talibaan in de ogen van veel Afghanen ‘helemaal geen kwaadaardige duivels zijn, maar juist karaktervolle verzetsstrijders tegen een corrupte regering en buitenlandse bezetters.’ Veel Afghanen hebben ook een broer, neef of vriend die bij de Talibaan meestrijdt. Het is volgens Righton dan ook zaak de conservatieve stroming in Afghanistan heel serieus te nemen en te betrekken bij de vorming van een toekomstige regering.

Veel Afghanen die ze spreekt, gaan er intussen van uit dat de Talibaan de macht weer zullen veroveren. Die verbeiden nu hun tijd tot de buitenlandse militairen zijn vertrokken. Instemmend citeert Righton een bekend gezegde van de Talibaan. ‘De westerlingen hebben de horloges, maar de Talibaan hebben de tijd.’

Wat deze recensent minder aanstaat in het boek is de buitensporige aandacht voor haar eigen persoon, haar eenzaamheid, haar angsten en haar worsteling of ze nu wel of niet in Afghanistan moest blijven. ‘Door het gebrek aan wezenlijk contact met de mensen van wie ik echt houd, voel ik mezelf in die periode net na de supermarktaanslag ongelofelijk eenzaam’, vertrouwt ze de lezer toe.

Tot vervelens toe ook beschrijft ze hoezeer ze snakt naar contact met haar vriend of hoe graag ze weer eens een jurkje wil aandoen in plaats van een burka. Liever zou ik meer over Afghaanse burgers en hun zorgen hebben gelezen, die doorgaans niet de luxe hebben te kunnen vertrekken. Die overmatige gerichtheid op zichzelf speelde haar ook parten in de teleurstellende recente televisietrilogie over haar werk in Afghanistan die de VPRO onlangs uitzond.

Weliswaar staat er op de cover Dagboek van een oorlogsjournalist in Afghanistan, maar het boek is geen dagboek in de normale zin van het woord. De auteur houdt geen chronologische volgorde aan en veel hoofdstukken zijn veeleer thematisch. Daardoor heeft het relaas een wat hybride karakter gekregen.

Ook doet Righton het ten onrechte voorkomen alsof zij de enige Nederlandse correspondent was die in 2011 de Nederlandse militairen en politie in Kunduz op de voet volgde. Geen woord over haar collega Bette Dam, die destijds voor deze krant eerder dan zij vanuit Kabul ter plekke was om over die missie te berichten.

Die Nederlandse missie krijgt vervolgens weer meer aandacht dan die verdient. Vanaf dag één was duidelijk dat die voor Afghanistan bitter weinig verschil zou maken, en dat die vooral was ontworpen om met zo min mogelijk risico het Nederlandse gezicht een beetje te redden tegenover andere NAVO-partners, in het bijzonder de Verenigde Staten. Voor de Afghanen is de hele missie nooit meer dan een voetnoot geweest. Voor de Nederlanders trouwens, als het erop aankwam, idem dito.