Nog altijd zelfverzekerd, door de steun van buiten

Landen mogen van de EU sinds deze week wapens leveren aan ‘gematigde’ rebellen Het toont hoe de buitenwereld vergaand betrokken raakt bij de strijd Bondgenoten worden steeds belangrijker voor Assad én de rebellen

In this photo released by the Syrian official news agency SANA, Syrian President Bashar al-Assad, right, speaks during an interview with Al-Manar TV, owned by the militant Hezbollah group, in Damascus, Syria, Thursday, May 30, 2013. Syrian President Bashar Assad on Thursday was quoted as saying his regime has received from Russia a first shipment of sophisticated anti-aircraft missiles — game-changing weapons that are bound to further raise regional tension, particularly with Israel whose defense chief has called them a threat. (AP Photo/SANA) AP

Redacteur Midden-Oosten

Half maart 2011 gingen in de afgelegen, stoffige Syrische stad Deraa een paar honderd boze familieleden de straat op om te protesteren tegen het oppakken en folteren van hun kinderen die graffiti tegen het regime op muren hadden gekalkt. Het leger probeerde hen naar huis te schieten. Het was het begin van de Syrische opstand.

Deze week maakte de Europese Unie wapenleveranties door lidstaten aan ‘gematigde’ groepen opstandelingen mogelijk door haar wapenembargo te laten verlopen. Rusland reageerde daarop met de mededeling dat het zijn bondgenoot en wapenafnemer Bashar al-Assad nu zeker de eerder toegezegde S-300 luchtdoelsystemen ging leveren, „om buitenlandse inmenging te helpen voorkomen”. Israël waarschuwde meteen dat het die bij aankomst zou bombarderen, zoals het recentelijk nog een Syrisch wapentransport naar Hezbollah vernietigde. Het beschouwt deze geavanceerde raketten als bedreiging voor zijn eigen veiligheid. Alleen supermacht Amerika houdt zich vooralsnog in de marge; zijn beleden liefde voor de oppositie blijft grotendeels platonisch.

Deze aankondigingen, reacties en waarschuwingen onderstrepen hoe vergaand de buitenwereld in die twee jaar betrokken is geraakt bij de inmiddels geheel uit de hand gelopen opstand – minimaal 80.000 doden. In zekere zin zijn buitenlandse bondgenoten van beide zijden drijvende kracht van de oorlog geworden.

Want kijk nog eens naar die toespraak die Hassan Nasrallah, leider van de machtige Libanese organisatie Hezbollah, vorige maand hield over de situatie in Syrië. Na een bezoek aan Iran kondigde hij aan dat de „vrienden van Syrië” niet zullen toestaan dat Assads regime ten val komt – wat Hezbollah in grote problemen zou brengen. Hij suggereerde dat Iran zo nodig troepen zal sturen. Hezbollah vocht toen al mee met het Syrische regeringsleger in de strijd om het strategische stadje Qusayr.

Afgelopen weekeinde ging Nasrallah nog verder. Hij bevestigde dat zijn troepen al meevochten naast het Syrische regeringsleger – hij kon ook nauwelijks anders, want iedereen kon zien dat tientallen van zijn strijders in lijkkisten terugkwamen van de strijd rond Qusayr. Hij verklaarde dat zijn strijders in Syrië blijven, wat de consequenties ook zouden zijn, „tot het einde van de weg”, en dat is: „de overwinning”.

Op Rusland na zijn al Assads vrienden shi’itisch. Op zich is dit overigens geen religieus verbond; Assads regime komt weliswaar voort uit een shi’itische minderheidsgroep, de alawieten, maar de Iraans-Syrische alliantie rust oorspronkelijk op de gedeelde vijandschap jegens de Iraakse sterke man Saddam Hussein.

Hezbollah heeft volgens Franse inlichtingendiensten 3.000 tot 4.000 man in Syrië ingezet. Iran levert op grote schaal geld (deze week een krediet van 4 miljard dollar), wapens, training en adviseurs. Het door shi’ieten gedomineerde Iraakse bewind speelt een belangrijke rol door dringende Amerikaanse verzoeken te negeren om de Iraanse wapenpendel door zijn luchtruim te blokkeren. De omverwerping van Saddam Husseins regime heeft Washington geen vriend in Bagdad opgeleverd. Aan Assads kant vechten ook Iraakse shi’ieten mee.

Sunnitische landen op hun beurt zijn de steunpilaren van de rebellen. Kort na het begin van de opstand al werd Syrië tevens slagveld van het bredere conflict tussen de sunnitische Arabische Golfstaten en Iran, een conflict over regionale invloed. Voor de Golfstaten, Saoedi-Arabië en Qatar voorop, was – en blijft – de opstand immers een niet te missen kans om het gevreesde Iran uit het hart van de Arabische wereld te verdrijven. En als de sunnitische meerderheid in Damascus aan de macht zou komen, zou dat ook het einde brengen van de Iraanse wapentoevoer via Syrië naar Hezbollah en de mogelijk dodelijke verzwakking van de shi’itische organisatie die nu de sterkste partij in Libanon is.

In die tijd begonnen de wapenleveranties en financiële hulp van Qatar en Saoedi-Arabië voor de rebellen, met assistentie van het eveneens sunnitische bewind in Turkije. Maar behalve wapens stromen de laatste maanden ook buitenlandse sunnitische jihadisten naar Syrië. Uit Europa, maar in aanzienlijk grotere getale uit Arabische landen, Saoedi-Arabië, Tunesië, maar Irak ook, waar de sunnitische minderheid strijders stuurt die in Syrië tegenover Iraakse shi’itische hulptroepen kunnen komen te staan.

Door de gruweldaden van het regime, de komst van buitenlandse shi’itische hulptroepen en de toestroom van deze sunnitische jihadisten wordt de oorlog nu toenemend ook een religieus conflict van sunnieten tegen shi’ieten, naast de opstand van oppositie tegen regime en de oorlog tussen Iran en de Golfregio. Tot ver buiten de grenzen groeien de sektarische spanningen hierdoor. Deze week riepen Egyptische jihadisten sunnieten op tot aanslagen in door shi’ieten geleide landen in antwoord op het offensief van Assad en Hezbollah bij Qusayr.

Maar de hulp van de sunnitische landen aan de rebellen weegt lang niet op tegen de steun die het regime ontvangt uit Rusland en shi’itische bronnen. Niet alleen omdat hun wapens lichter zijn dan het zware materieel dat Assads bewind bezit en krijgt, en omdat de jihadisten niet zijn opgewassen tegen de strijders van Hezbollah. Maar ook omdat Rusland, Hezbollah en Iran eensgezind zijn in hun toewijding aan Assad, terwijl Saoedi-Arabië en Qatar elk rivaliserende rebellen- en oppositiegroepen steunen en daarmee de verdeeldheid daarvan versterken. Frankrijk en Groot-Brittannië, die wapenhulp overwegen, maken zich zorgen dat hun eventuele wapens terechtkomen bij extremisten die een steeds grotere rol spelen onder de rebellen, en willen alleen „gematigde rebellen” helpen.

Het is zichtbaar in openlijk geruzie van rebellen en politieke oppositie, en in de recente terreinwinst voor Assad, zoals bij Qusayr. En in zijn zelfverzekerde uitspraken dat hij zich volgend jaar kandidaat stelt in de presidentsverkiezingen en graag nog een termijn doorgaat.