Laveren tussen de Fransen en de massa

n de reeks figuren die een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de vorming van het moderne Nederlandse staatsbestel is Gijsbert Karel van Hogendorp (1762-1834) in de schaduw terecht gekomen van grondwethervormer Rudolf Thorbecke (1798-1872).

Toch is het Van Hogendorp die als voorzitter van de grondwetscommissie in 1813-1814 de basis legde voor onze constitutionele monarchie. Misschien is hij enigszins in de vergeethoek verzeild omdat Koning Willem I zich als autocraat weinig aantrok van de toen geformuleerde grondwet, die in de door Thorbecke geherformuleerde vorm pas na 1848 een centrale rol in de Nederlandse politiek zou gaan spelen. Historicus Diederick Slijkerman meende hem eindelijk recht te moeten doen, in zijn Wonderjaren. Gijsbert Karel van Hogendorp. Wegbereider van Nederland.

Het lijkt soms wel alsof Van Hogendorp zich verzet tegen erkenning van zijn verdiensten. We hebben te maken met een gecompliceerde, wat stugge, uiterst ijdele maar ook bescheiden figuur, regent en democraat tegelijk, Oranjeman én tegenstrever van Willem I, en een modelburger met libertijnse trekken.

Jan en Annie Romein hebben zich in hun Erflaters van onze beschaving (1938), veel moeite getroost hem te begrijpen. Hun poging tot karakterduiding is een bloemrijk staaltje socialistisch-freudiaanse dialectiek. Over zijn jeugd: ‘Het besef, nog niet zozeer van iets bijzonders te zijn, als wel iets bijzonders te moeten worden, doortrekt dit hele leven met de opdringerigheid van een waandenkbeeld.’

Centraal in die opdringerigheid staat de smet die op de familie rust.Gijsbert Karels grootvader, Fries edelman en dichter Onno Zwier van Haren, zou ontucht hebben gepleegd met zijn dochters, een schandaal dat nota bene door Van Hogendorps eigen vader en diens broer in de openbaarheid werd gebracht. Dit zou de aanjager zijn van Gijsbert Karels ongeëvenaarde eerzucht.

‘Beziet men het van binnen uit, subjectief, psychologisch, dan blijkt diezelfde eerzucht tussen Gijsbert Karel en het leven te hebben gestaan,’ schrijven de Romeins. ‘Zij heeft hem het verantwoordelijksheidsbesef-uit-roeping gegeven waarvan al zijn woorden en daden doortrokken zijn. Maar ook de onnatuurlijkheid-uit-bevangenheid die hem nimmer verliet. Gijsbert Karel werd erdoor wat wij een ‘spiegelmens’ zouden willen noemen. Hij ziet het leven als in spiegelbeeld en hij ziet dus steeds zichzelf in de spiegel. Gijsbert Karel van Hogendorp had geen natuurlijk voorkomen, maar studeerde zijn leven lang er op om het te hebben.’

Niet bepaald de Epke Zonderland of Sven Kramer van de Nederlandse staatsvorming; of zwierige staatsman als tijdgenoot Rutger Jan Schimmelpenninck, die in 1805 een jaar lang als raadpensionaris de president speelde.

Teugels

Diederick Slijkermans Wonderjaren is een biografie die poogt Van Hogendorps geestesgoed recht te doen. De auteur is geen zorgvuldig formulerende en psychologiserende dialecticus zoals de Romeins zijn. Vooral in het begin van zijn boek lijken de teugels van de taal hier en daar aan zijn handen te ontsnappen.

De jeugdige Van Hogendorp is op de cadettenschool in Pruisen. Paardrijden is een must. Slijkerman: ‘Mannen uit voorname of adellijke kringen traden min of meer standaard toe tot de artillerie. [...] Cavaleristen stierven op het paard en they rode like the devil himself.’ Ja, wat is het nu: artillerie of cavalerie?

Ook in redeneringen stapelt Slijkerman zijn zinnen vaak chaotisch op. Hij herhaalt zich nogal eens. Het heeft er in het eerste deel van Wonderjaren de schijn van dat Slijkerman ‘wrote like the devil himself’. Dit geldt ook voor de passage waarin hij de verhouding beschrijft tussen de jonge Gijsbert Karel en diens leermeester, filosoof annex staatssecretaris Johann Erich Biester (1749-1816). Homo-erotische sympathieën?

Doorzetten doet een homoseksuele geaardheid bij Van Hogendorp niet. ‘Nadat zijn hart in Koningsbergen in het aangezicht van een freule tevergeefs sneller had geklopt, was hij daarna nog diverse malen door een kasteelvrouw of regentendochter in vervoering gebracht.’ Trouwen doet hij met koopmansdochter Hester Clifford. Het lijkt een goed huwelijk, al is er een crisis als Van Hogendorp heftig door het magnetiseren gegrepen raakt, en ook als therapeut optreedt. Kennelijk is er familierumoer ontstaan over zijn daarbij uitgevoerde ‘handtastelijkheden’.

Moeder van Hogendorp (prominent aanwezig in Gijsbert Karels leven) bemoeit zich er mee, en schrijft: ‘Zelfde mening over de mogelijkheid van een ontbinding.’ Slijkerman zegt: ‘Wat die mening is, blijkt nergens uit.’ Maar de crux van deze mededeling is natuurlijk het woord ‘ontbinding’. Van het huwelijk? Dit verdient toch iets meer aandacht.

Lezerswenkbrauwen

Ik zeur zo over haast- en slordigheidsaspecten in Diedericks Slijkermans Wonderjaren omdat zowel boek als onderwerp beter verdient. Met name in de eerste helft gaan de lezerswenkbrauwen geregeld omhoog en leest men passages terug voor goed begrip van de auteursbedoeling.

Halverwege echter breekt het licht door. Politiek historicus van de 19de eeuw Slijkerman is dan op het eigen terrein van zijn specialisme terechtgekomen, daar voelt hij zich thuis, en bijzonder trefzeker. Op heldere wijze wordt (na aanvankelijke vriendschap) de uit de rails lopende verhouding beschreven tussen Willem I en de man die in 1813 zijn troonsbestijging mogelijk maakte. Inzichtelijker dan ik elders las zien we de geniale aspecten van Van Hogendorp belicht, die in zijn Schets eener Constitutie (1812) door verhullende prenapoleontische bewoordingen een in principe moderne staat wist door te zetten (al trok Willem I hier zich in praktijk weinig van aan).

Afgewogen, duidelijk en prettig leesbaar komen Van Hogendorps verlichte opvattingen van de gelijkheid van ieder mens uit de verf, als het gaat om armenzorg en zijn geschriften daarover. Tot en met de briljante laatste geschriften in de tiendelige Bijdragen tot de huishouding van staat in het Koningrijk der Nederlanden, verzameld ten dienste der Staten-Generaal (1818-1829) en De scheiding van Holland en België (1830) krijgen de eer die ze verdienen.

Hier is de ‘onnatuurlijkheid-uit-bevangenheid’ van de ‘spiegelmens’ geen belemmering meer, hier is iemand op het voetstuk gezet dat hem toekomt: een geniaal staatsrechtelijk denker en voorloper van onze moderne democratie.