Laveren tussen de Fransen en de massa

Toen Van Hogendorp en de zijnen in november 1813 de vrijheid van Nederland aankondigden, was dit nog ‘wishful thinking’. Er volgden gewelddadige maanden. Wie was de stugge, ijdele én bescheiden Van Hogendorp precies?

Pieter Gerardus van Os: De Aankomst der Kozakken te Utrecht, 28 november 1813 (1912) Foto Centraal Museum Utrecht

p 19 oktober 1813 leed het leger van Napoleon bij Leipzig een verpletterende nederlaag tegen de geallieerden. Het was het begin van het einde voor de keizer, die zich snel moest terugtrekken binnen de Franse grenzen en in april 1814 te Fontainebleau afstand deed van de troon.

De nederlaag bracht een kettingreactie op gang in de bezette gebieden, waaronder Nederland, dat sinds 1810 was ingelijfd bij het Franse keizerrijk. Cruciaal was dat de Franse bezetters het zelf het niet meer zagen zitten. Zij lieten een machtsvacuüm vallen, dat door enkele Haagse heren onder leiding van Gijsbert Karel van Hogendorp even moedig als behendig werd opgevuld. Nederland bevrijdde dus zichzelf en voorkwam daardoor dat het werd behandeld als veroverd gebied. De Prins van Oranje werd uit ballingschap teruggeroepen en aanvaardde op 2 december 1813 in Amsterdam de soevereiniteit.

Dit Grote Verhaal is echter niet het thema van Wilfried Uitterhoeve, die in 1813 – Haagse Bluf wil laten zien hoe de machtswisseling zich in die laatste, rommelige weken van 1813 in de praktijk voltrok. Uitterhoeve publiceerde enkele jaren geleden een biografie van de Bataafse generaal Cornelis Kraijenhoff, gevolgd door een boek over de ondergang van het Koninkrijk Holland in 1810, en is goed thuis in de Bataafs-Franse periode tussen 1795 en 1813.

De ‘Haagse bluf’ van Van Hogendorp en de zijnen (hoe effectief die ook was) liep als het ware op de feiten vooruit en contrasteert dan ook met de ‘chaos’ van de ondertitel, waar dit boek feitelijk over gaat. Veel van het beroemde Haagse strooibiljet van 17 november – ‘Oranje Boven! Holland is vrij. Al het geleedene is vergeeten en vergeeven.’ – was op dat moment nog wishful thinking.

Uitterhoeve neemt afstand van een al te Hollands perspectief en kijkt minstens zo goed naar de provincie en de periferie: naar Hoogeveen, Kampen, Nijmegen en Walcheren, naar in totaal 24 steden en regio’s gespreid over het hele land. Hij volgt daarmee het spoor van het monumentale vierdelige Historisch Gedenkboek uit 1912-13, geredigeerd door de generaal b.d. Koolemans Beijnen. Ook dat had een gefragmenteerde opzet en werd volgeschreven door een bont gezelschap van lokale deskundigen: onderwijzers, archivarissen, predikanten en burgemeesters. De chaos van de vrijwording zelf werd daarin nog aangezet door die veelheid van stijlen en perspectieven. Uitterhoeve laat ook zien dat de Fransen zeker niet zomaar verdwenen. In een reeks vestingen bleven zij verschanst tot april of mei 1814: van Delfzijl tot Deventer en Bergen op Zoom, maar ook in het hart van Holland in Naarden, en in Den Helder, waar admiraal Verhuell de vloot weigerde over te geven. Dat gebeurde pas toen Napoleon al hoog en droog op Elba zat.

Represailles

Uitterhoeve heeft veel oog (én begrip) voor angstvallige stedelijke bestuurders, die een ingewikkeld en vaak riskant ‘dubbel spel’ speelden om de orde te bewaren. Zij moesten laveren tussen het gevaar voor Franse represailles en de angst dat de licht ontvlambare volksmassa, geplaagd door jarenlange armoede en werkloosheid, het heft in eigen hand nam, ‘in naam van Oranje’. Het dragen van oranje uitdossingen werd daarbij door de autoriteiten strategisch ingezet: soms toegestaan, soms verboden.

Want de Fransen mochten dan aan het weggaan zijn, je wist maar nooit of ze niet zouden terugkomen. Daarvoor vreesde vooral de metropool Amsterdam, de derde hoofdstad van Napoleons rijk, met zijn 200.000 inwoners en zijn ondanks alle misère nog aanzienlijke rijkdommen. Het was dan ook spitsroeden lopen toen de Franse generaal Molitor met zijn garnizoen de stad in de nacht van 15 op 16 november met stille trom verliet.

Het schrikbeeld was dat Amsterdam hetzelfde lot zou treffen als Hamburg een half jaar tevoren. Een opstand tegen de Fransen was toen door maarschalk Davout afgestraft met een streng bezettingsregime, verwoestingen en een hoge oorlogsschatting. En daarop zat de haute finance van de grachtengordel uiteraard niet te wachten.

De implosie van Napoleons imperium werd voor iedereen zichtbaar door de grote groepen lagere ambtenaren die zo snel mogelijk probeerden te ontkomen naar Frankrijk. Zij vormden het repressieapparaat van de napoleontische politiestaat: allerhande functionarissen, douaniers en de gehate ‘kelderratten’, de inspecteurs die overal speurden naar smokkelwaar ter ontduiking van de accijnzen op tabak en sterke drank. Alleen al in Harlingen passeerden 3000 van dergelijke repatrianten.

Berenmutsen

Militaire krachtsverhoudingen bleven belangrijk: de kwaliteit van een garnizoen, de positie van de uit het Oosten oprukkende Pruisen en Russen. Vooral de in groepjes rondtrekkende kozakken spraken tot de verbeelding als zij op hun kleine paardjes, getooid met berenmutsen en gewapend met lansen en kromzwaarden, het terrein kwamen verkennen. In Utrecht verschenen op 28 november drie kozakken voor de Wittevrouwenpoort. Na bemiddeling door de enige man in de stad die Russisch sprak, werd Utrecht aan hen overgegeven. De kozakken bivakkeerden in de open lucht, sliepen als bulhonden en trokken veel bekijks door hun exotische verschijning. Nieuwsgierige meisjes op de Neude kregen, aldus het dagboek van apotheker Keetell, een kozakkenzoentje, ‘dog ook niets verder’.

De schilder P.G. van Os stond erbij en keek ernaar, verkocht snelle reportagetekeningen voor goed geld en legde de overgave vast op een mooi schilderij van drie kozakken die een Franse haan verjagen. Toen hij het doek exposeerde vonden de toenmalige kunstpausen die fladderende haan veel te anekdotisch, meer iets voor een spotprent en afbreuk doend aan de verhevenheid van het moment. Maar de kozakken bleef men zich in Utrecht dankbaar herinneren en tot 1913 werd de plaatselijke bevrijding gevierd als Kozakkendag.

Elders ging het er veel gewelddadiger toe. In Woerden misdroegen de Fransen zich gruwelijk. November ‘Slagtmaand’ kreeg daardoor een macabere bijklank. Er vielen 26 slachtoffers van wie de zonder pardon doodgeschoten vrouw van Jakob Pinas landelijke bekendheid kreeg. Toen het de Franse plunderaars niet lukte de ringen met juwelen van haar hand te krijgen, werd de hand domweg afgehakt. Maar de burgerdoden van Woerden vallen nog in het niet bij de aantallen militaire slachtoffers elders. Bij de Slag om Arnhem sneuvelden aan weerszijden meer dan duizend Pruisen en Fransen.

Bestorming

Het was ook niet zo dat de geallieerden altijd zegevierden. Zowel Doesburg als Dordrecht veranderde in korte tijd drie keer van machthebber. En het veelgeplaagde Bergen op Zoom was het toneel van een mislukte bestorming, die de Engelsen begin maart 1814 achthonderd slachtoffers kostte. Terwijl de Fransen nota bene een paar weken tevoren – tot verbijstering van de geallieerden en tot woede van Napoleon zelf – de naburige vesting Breda zonder slag of stoot hadden ontruimd.

Uitterhoeve geeft met dit boek een handzame correctie op de unificerende en vereenvoudigende mythe van 1813 die we kennen uit contemporaine preken, proclamaties en jubeldichten en die in 1816 werd gecanoniseerd en gestileerd in Van der Palms Geschied- en redekonstig gedenkschrift van Nederlands herstelling, naar het model van de Romeinse schrijver Sallustius. Uitterhoeve kan de Haagse bluf van Van Hogendorp best appreciëren zonder die te willen uitvergroten. Ook mengt hij zich niet in de wedstrijd tussen Den Haag en Amsterdam die later in de negentiende eeuw werd gevoerd, welk van beide steden nu het belangrijkste aandeel had gehad in de omwenteling. Zijn caleidoscopische verhaal oogt onvermijdelijk wat chaotisch, maar het wordt goed verteld en doet recht aan de verwarring, de onzekerheid en niet te vergeten het oorlogsgeweld van die roerige laatste weken van 1813.