Kroatië wil niet langer praten over de oorlogsmisdaden

De berechting in Kroatië van oorlogsmisdadigers hapert. Het komende EU-lid heeft weinig animo om de kleinere vissen te vervolgen.

Een badgast zit in 2006 op het strand van de Kroatische stad Split met een tatoeage van de voormalige generaal Gotovina. Foto Ad van Denderen/Hollandse Hoogte

zagreb. - ‘Niet waar’, reageerde de Kroatische premier Zoran Milanovic verontwaardigd toen het Joegoslaviëtribunaal deze week zes Bosnische-Kroaten veroordeelde wegens misdaden tegen de menselijkheid. Het tribunaal concludeerde daarbij expliciet dat de Kroatische staat tijdens de oorlog in Bosnië bezig was landsdelen van moslims te zuiveren om plaats te maken voor Kroaten.

De reactie van Milanovic was tekenend voor de stemming onder Kroaten. Over oorlogsmisdaden is wat hen betreft genoeg gepraat. Ze willen niet meer tornen aan hun versie van de geschiedenis.

Ante Gotovina, de Kroatische generaal die door het Joegoslaviëtribunaal werd veroordeeld tot 24 jaar en afgelopen november in hoger beroep werd vrijgesproken, is nu een succesvol zakenman. Zijn bedrijf kweekt en vist tonijn tussen de eilandjes Vrgad en Gir. Gotovina is bovendien mede-eigenaar van Adriatik Gradnja, dat als onderaannemer gasinstallaties bouwt voor de Oostenrijkse energiemaatschappij EVN.

Ivan Cermak, die samen met Gotovina terecht stond voor misdaden tegen de menselijkheid tijdens Operatie Storm in 1995, kwam al eerder vrij. Zijn firma is een belangrijke speler op de energiemarkt in Kroatië en nam onlangs een keten van 62 benzinestations over.

De teruggekeerde volkshelden symboliseren een transitie zoals Kroaten die graag zien: van landsverdediger naar succesvol ondernemer in het jonge land. De foto van Gotovina hangt overal, in de kajuit van de veerboot en aan de wand van de kroeg: ‘Ante: held!’

Met de onder juristen zeer omstreden vrijlating in hoger beroep van Gotovina in november 2012 is een punt gezet achter de zaak, vinden veel Kroaten.

Voor de meeste misdaden die op Kroatisch grondgebied zijn gepleegd is echter nog niemand veroordeeld. De kans dat dit ooit nog gebeurt neemt voortdurend af, zeggen mensenrechtenactivisten in Kroatië. Het Joegoslaviëtribunaal begint geen nieuwe zaken meer en werkt toe naar sluiting, waarschijnlijk in 2015. Met vrijwel alle hoofdrolspelers vrijgesproken of dood – zoals president in oorlogstijd Franjo Tudjman – is de wil om bij rechtbanken in eigen land nu nog de kleinere vissen te vervolgen uiterst gering.

Op 1 juli 2013 treedt Kroatië toe tot de Europese Unie met een achterstand van ruim zeshonderd potentiële rechtszaken over oorlogsmisdaden tussen 1991 en 1995. „Veel slachtoffers is geen enkel recht gedaan”, zegt Vesna Terselic, directeur van mensenrechtenorganisatie Documenta, een van drie Kroatische organisaties die het berechten van oorlogsmisdaden monitort en juridische bijstand levert aan slachtoffers en nabestaanden. „Dat brengt Kroatië mee de EU in.”

Dat de EU daar niet kritischer op is, vindt ze een slecht signaal naar andere ex-Joegoslavische republieken, zoals Bosnië en Servië, die nog willen toetreden. De EU kijkt toch vooral naar het proces, naar de efficiëntie, zegt Terselic. „Niet naar het lot van slachtoffers.”

Tijdens de toetredingsonderhandelingen was de druk hoog om oorlogsmisdadigers te vervolgen. ‘Hoofdstuk 23’ over justitie en mensenrechten was een van de moeilijkste en langst slepende dossiers. Kroatië kreeg veel kritiek omdat onderzoeken slecht waren en rechtbanken partijdig. In de praktijk kregen Servische verdachten een veel slechtere behandeling dan Kroaten en werden vrijwel alleen Serviërs veroordeeld, vaak in absentia. Kroatië werd gedwongen het berechten van oorlogsmisdaden beter te organiseren en meer prioriteit te geven. Maar sinds de onderhandelingen met de EU eind 2011 zijn afgerond is die druk goeddeels weg, vertellen betrokkenen.

De vrijspraak in hoger beroep afgelopen november van de meest prominente Kroatische verdachten van oorlogsmisdaden voelde volgens Terselic voor veel Kroaten als: ‘oh, nu is alles duidelijk. Er zijn geen misdaden begaan.’ Sindsdien is de sociale druk van maatschappelijke groepen, zoals oorlogsveteranen, om mensen die hebben gevochten om het land te verdedigen niet te vervolgen, groter en effectiever. „Een percentage van de bevolking gelooft dat in een defensieve oorlog geen oorlogsmisdaden kúnnen zijn gepleegd. Het is moeilijk te accepteren dat de strijd ook kenmerken van een burgeroorlog had.”

Intussen doet de tijd haar werk. Veel zaken die voor 2000 zijn afgerond moeten eigenlijk over. Onderzoeksmateriaal uit de jaren negentig is van dusdanig lage kwaliteit dat een serieuze aanklager er weinig aan heeft. Tijd, wil, middelen en materiaal ontbreken om het onderzoek over te doen, zoals eigenlijk zou moeten. Veel getuigen en daders zijn inmiddels, een kwart eeuw later, overleden. Daar komt nog bij dat de sociale druk om niet te getuigen nog altijd groot is en de getuigenbescherming ondermaats, melden maatschappelijke organisaties die de rechtsgang volgen.

Druk van de EU heeft er wel voor gezorgd dat de infrastructuur en wetgeving zijn verbeterd. Tegenwoordig zijn vier grotere rechtbanken verantwoordelijk voor oorlogsmisdaden. Voorheen lagen de zaken bij ruim dertig verschillende regionale rechtbanken zonder specialisatie. Ook kan bewijsmateriaal dat is verzameld door het Joegoslaviëtribunaal tegenwoordig worden gebruikt. Die verbeteringen hebben volgens Vesna Terselic echter tot geen enkele versnelling geleid. Aanklagers kunnen vaak weinig met het materiaal dat ze uit de provincie hebben gekregen. „Het is overduidelijk dat naar veel misdrijven nooit onderzoek is gedaan. Zeer onrechtvaardig.”