Kind is gevallen, zei de oppas

Forensisch arts Lonneke van Duurling onderzoekt of kinderen mishandeld zijn. In de jeugdzorg gebeurt veel op basis van vermoedens. Zij wil feiten.

Foto Getty Images

Als een kind bij de Forensische Polikliniek Kindermishandeling in Utrecht komt, ziet het drie kamers. De verpleegkundige loopt ze langs met het kind voordat het onderzoek begint door de forensisch arts pediatrie, de forensisch kinderarts. Eerst de kijkkamer, met een onderzoeksbank, camera’s en een beeldscherm, en aan de muur een grote foto van een dikke beer die voorover leunt. Een belangrijke foto, blijkt later. Dan de praatkamer, een neutrale spreekkamer. „Deze is een beetje saai, daar mogen straks de volwassenen praten”, zegt forensisch verpleegster Anne van der Biezen dan. En tot slot de speelkamer; een tafeltje met twee stoeltjes, tekenpapier, stiften en speelgoed.

De kinderen die bij de polikliniek komen, hebben wonden en blauwe plekken. En er is het vermoeden dat dit komt doordat ze mishandeld zijn, of seksueel misbruikt. Hier, op de polikliniek, moet een forensisch arts pediatrie, zoals Lonneke van Duurling, vaststellen of het letsel dat ze ziet klopt met het verhaal over het ontstaan van de verwondingen.

Het onderzoek begint gelijktijdig in twee van de drie kamers. In de speelkamer probeert de forensisch verpleegkundige het kind op zijn gemak te stellen, terwijl de arts in de praatkamer hoort wat er is gebeurd. Of beter: wat de ouders of verzorgers zéggen dat er is gebeurd.

„Wij stellen de feiten vast, wij nemen niets aan”, zegt Van Duurling. Ze ziet de ouders hier voor de eerste keer, en bouwt geen vertrouwensband met ze op. Anders dus dan de huisarts, of artsen van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK), die ook vaak letsel beoordelen op signalen van kindermishandeling. Sommigen van hen hebben wel forensische kennis, zegt Van Duurling. Maar ze zijn ook bij het gezin betrokken. En betrokkenheid, sympathie of afkeer kan de waarneming kleuren.

Zij kijkt feitelijk. En dat gebeurt in de jeugdzorg te weinig, zegt Van Duurling. „Mishandeling is een delict. Maar als het over kinderen gaat, is het vaak alleen een zaak van jeugdzorg, niet van de politie. En jeugdzorg kijkt met een hulpverlenersbril. Niet met een opsporingsbril.” Dat is een andere manier om te zeggen dat in de jeugdzorg op grond van vermoedens en risico-inschattingen soms ingrijpende beslissingen worden genomen.

Vorig jaar heeft de kliniek 109 kinderen onderzocht, 33 dossieronderzoeken gedaan, en over 176 kinderen advies gegeven op grond van foto’s en andere informatie; 358 kinderen in totaal. Datzelfde jaar deed de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek naar bijna 20.000 kinderen, omdat er zorgen waren over hun veiligheid, na meldingen van AMK of Bureau Jeugdzorg. De rechter heeft 9.000 kinderen onder toezicht geplaatst, 2.000 kinderen zijn bij hun ouders uit huis gehaald.

Verpleegster Van der Biezen draagt intussen in de speelkamer een voicerecorder. Ze ondervraagt de kinderen niet, maar tijdens het onderzoek zeggen ze soms opeens iets. Zoals het jongetje van zes laatst. Hij vond het niet erg dat Piet hem „in zijn kont had geneukt”, maar wél dat hij de beloofde kaartjes voor de bioscoop niet had gekregen. En dat zijn moeder nu de hele tijd moest huilen. Van der Biezen is op de politieacademie opgeleid om met kinderen te praten zodat hun uitspraken als verklaringen in het dossier kunnen. Ze mag niets suggereren, geen informatie geven. „Als ik over een kapotte knie vraag ‘ben je hard gevallen’, dan durft een kind misschien niet meer te zeggen dat het is geschopt. Het veiligst is afwachten. En als het kind iets zegt: vertel daar eens wat meer over.”

In de kijkkamer komen alleen het kind met de arts en verpleegkundige. De ouders en begeleiders van politie, jeugdzorg of maatschappelijk werk blijven in de praatkamer. Ouders zijn er alleen bij als het kind dat zelf vraagt. Eerst legt verpleegkundige Van der Biezen uit hoe ze het top-tot-teenonderzoek gaan doen. Het hele lijf wordt bekeken, ook als het kind binnenkomt wegens een verdachte afdruk van een strijkijzer op zijn arm.

„We zien hier helaas vaker strijkijzerafdrukken”, zegt Van der Biezen. Met soms buitenissige verklaringen over hoe die daar komen. Van Duuren: „Wij kijken alleen maar hoe waarschijnlijk het is dat de gemelde toedracht klopt.” Zoals bij de twee brandwonden, volgens moeder ontstaan toen het kind tegen het ijzer was aangelopen. „Maar als je het been helemaal boog, vormden de twee plekken samen een perfecte afdruk van een strijkijzer”, zegt Van der Biezen. „En met een dubbelgeklapt been kan je niet tegen een ijzer aanlopen.”

Met een foto en een meetlintje wordt het letsel precies vastgelegd. Een speciale camera-installatie maakt detailfoto’s van de genitaliën. Daar is die foto van de beer aan de muur voor. Eerst worden opnames gemaakt terwijl het kind op de rug ligt, dan als het op knieën en ellebogen staat. Doe maar zoals die beer, zegt Van der Biezen dan. Als je in die houding de schaamlippen spreidt, kan je het maagdenvlies prima fotograferen. Zoals op de foto van het meisje van 6. „Kijk, een prachtig intact maagdenvlies met een mooi rond gat”, zegt Van Duurling. Eromheen zit bloed, wat voor de moeder en huisarts reden tot grote zorg was. „Een ravage, had de huisarts het genoemd.” De kinderarts bij wie het meisje vervolgens terechtkwam, schakelde meteen de polikliniek in. Gelukkig, zegt Van Duurling. Want hoewel de kinderarts het meisje al zonder medische noodzaak in het ziekenhuis had opgenomen – om haar uit een mogelijk gevaarlijke situatie te halen – kon Van Duurling vaststellen dat er geen aanwijzingen waren voor seksueel misbruik. „Het meisje had ook geklaagd over jeuk, dus ze kan zichzelf gekrabd hebben.”

Het onderzoek van Van Duurling kan vrijpleiten, maar ook belasten. Zoals bij de baby van drie maanden. Bij zijn oog is duidelijk een flinke zwelling en verkleuring te zien. Tegen een spijltje gerold, had de oppas tegen de politie gezegd. „Wij weten dat een baby niet genoeg kracht heeft om dit letsel zelf toe te brengen”, zegt Van Duurling. Inmiddels had de oppas toegegeven dat ze de baby had laten vallen, en had de politie de zaak gesloten. „Maar de baby had meerdere letsels, veroorzaakt door verschillende inwerkende krachten, vanuit verschillende richtingen. Dat kan niet ontstaan zijn door één val.” Toen is Van Duurling er toch achteraan gaan bellen, terwijl ze zich eigenlijk beperkt tot het schrijven van haar forensische reportage. „Bij deze baby zal die oppas niet meer komen, maar wél bij andere kinderen.”