Column

Het vertrek

We zaten een beetje overrompeld bijeen. Binnen één etmaal was ons zowel Jan Pronk als Ferry Mingelen ontvallen. Hoe moest dat nu verder met de Nederlandse politiek? Ik durfde het mijn vrouw niet goed te bekennen, maar diep in mijn hart was ik teleurgestelder over het vertrek van Mingelen dan dat van Pronk.

Ja, ook ik had destijds erg moeten lachen om de Mingelen-parodie van Thomas van Luyn, maar het respect voor hem was er niet minder door geworden. Snelle, schrandere analyticus, welbespraakt, onafhankelijk. Wie krijgen we nou? Dominique-met-de-handjes, stuurse Eelco, vrolijke Joost? Zijn ze in staat tot Ferry’s perfecte mix van ernst en ironie?

Ik besloot er niet te lang bij stil te staan en mijn vrouw te steunen bij het verwerken van het verlies van mede-PvdA-lid Pronk. „Begrijp je hem”, vroeg ik empathisch.

„Ja. De teleurstellingen zijn hem te veel geworden. Ik vermoed dat het al een reusachtige klap voor hem is geweest toen hij in 2007 gepasseerd werd voor het voorzitterschap.”

„Hoe ging dat ook weer?” wroette ik.

„Vier partijprominenten, Vreeman, Wöltgens, De Vries en Plasterk, lieten vóór de stemming weten dat ze tegen Pronk waren. Pronk noemde dat een dolkstoot. Ook Bos wilde liever een ander, Ploumen. Hij en Pronk bleken al jaren niet meer met elkaar te praten. Ik heb destijds op Pronk gestemd.”

„Nu begrijp ik het”, zei ik.

„Wat?”

Ik haalde de Volkskrant van donderdag erbij. In die krant heeft Wouter Bos een vaste column. Je mocht verwachten dat hij als oud-partijleider op waardige wijze afscheid zou nemen van partijcoryfee Pronk – maar geen woord. De ironie wil dat de rest van de pagina is gevuld met reacties van lezers op het vertrek van Pronk. Toch leuk voor de Volkskrant om zo’n goed geïnformeerde oud-politicus als commentator te hebben?

„Het blijft een gezellige partij”, zei ik.

Ze haalde haar schouders op. „We hadden het over Pronk, niet over Bos – die is mij wel vaker tegengevallen.”

„Vind je het verstandig dat Pronk is opgestapt?”

„Ik zou het niet hebben gedaan. Nu kan hij nooit meer invloed uitoefenen op de gang van zijn zaken in de partij. Het zou jammer zijn als hij een rancuneuze, verbitterde man wordt die op zijn oude partij blijft kankeren. Ja, hij is consequent, maar het is het soort consequentheid waar je zelf alleen maar ongelukkig van wordt. Het leven hangt toch aan elkaar van de concessies? Je hoeft het niet altijd eens te zijn met je partij, je moet soms water bij de wijn doen. Dat heeft hij toch ook gedaan toen hij in al die kabinetten zat?”

„Hij constateert nu een verkwanseling van kernbeginselen.”

„Misschien ligt het toch ook op het psychologische vlak. Hier heb je een man die veertig jaar lang het gezicht van zijn partij mede bepaalde, maar naar wie nauwelijks meer werd omgekeken. Spekman wil nu met hem praten, maar waarom niet eerder? Die reactie van die Toon Geenen, voorzitter van de Jonge Socialisten (‘Zo blij dat Pronk eindelijk weg is’) is toch ongelofelijk? Hoe kon die man daar voorzitter van worden?”

„Diederik zal het binnenkort allemaal uitleggen”, troostte ik, „met veel van die geprogrammeerde, typische Diederik-zinnen: watervlug, ogenschijnlijk direct, maar toch nietszeggender dan je had gehoopt.”

„We wachten af”, zei ze ongewoon diplomatiek, als een partijlid dat haar plaats kent.