Een Zuid-Hollands Doornroosje slaapt uit protest

Ineke Riem: Zeven pogingen om een geliefde te wekken. De Arbeiderspers, 205 blz. € 18,95***

De slaap wordt in de literatuur veelal ingezet als een vorm van geweldloos verzet tegen een maatschappij die het individu het liefst zo druk mogelijk in de weer ziet. Dat dit geen slaapverwekkend proza hoeft op te leveren hebben schrijvers als Gontsjarov, Cossery en Bukowski bewezen. Hun personages bekijken de bezige bijtjes om zich heen om uiteenlopende redenen met afschuw, trekken stekkers uit de muur en vinden in het bed een tijdelijke oplossing voor een wereld die te veel van ze vraagt. Het is niet dat de slaper dood wil, hij wil alleen even niet bereikt worden.

Debutant Ineke Riem laat haar personage Lioba, een jonge vrouw, echter niet even onbereikbaar zijn, ze laat haar maar liefst een hele maand slapen. Een ander verschil met bovengenoemde voorbeelden is dat Lioba door haar slaap niet onbereikbaar wordt voor de buitenwereld, maar juist het tegenovergestelde.

Als in een sprookje, een genre waar dit debuut sterk op leunt, komt Lioba opeens in het middelpunt van de belangstelling te staan wanneer ze in slapende toestand wordt aangetroffen in een natuurgebied. Dorpsgenoten dienen zich ongevraagd aan om Lioba, dit Doornroosje van de Zuid-Hollandse eilanden, te wekken.

Dat klinkt allemaal vrij zoet en onschuldig, ware het niet dat de mannen uit het dorp allemaal hun eigen curieuze beweegredenen hebben om het meisje wakker te maken, dan wel te ‘genezen’. Zo is er een geperverteerde, vrijgezelle dorpsdokter die Lioba weer onder de wakende mensen wil brengen met behulp van een vorm van aanranding, en ook is er een voyeuristische inbreker die haar ’s nachts alleen maar even wil bekijken. In dit boek is de geneesheer in vrijwel alle gevallen nog net iets zieker dan de patiënt.

Hoewel Zeven pogingen om een geliefde te wekken een wat voorzichtig en bij vlagen boertig boek is, zijn er wel een paar vermakelijke portretten in te vinden. Zo kun je je goed voorstellen dat de dokter rondloopt als een brok opgekropte geilheid, omdat de dames die hem verlaten, hem nooit willen vertellen waaróm ze dat doen. Voor iemand die zich als doel heeft gesteld zichzelf te ‘verbeteren’ is dat gekmakend: hij heeft geen idee wat hij verkeerd doet.

Om in het beschreven dorp onder de knoet te raken van de kleinburgerlijke moraal hoef je er alleen te blijven. Tijd is echter een cruciale factor voor Lioba: Lioba wilde altijd weg, maar zag haar plannen gedwarsboomd. Haar slaap is een laatste daad van protest. Wanneer ze ontwaakt, zal ze het dorp waarschijnlijk nooit meer verlaten. Slechts één jongen, Ramses genaamd, heeft het ooit aangedurfd zijn vleugels uit te slaan. Zijn terugkeer naar het dorp brengt bij Lioba alsnog de gewenste opwinding teweeg.

Bij de lezer overigens ook, want deze anti-dorpsroman toont aan dat het nog een heel karwei is om enerverend te schrijven over duffe omstandigheden.