Dobberen en filosoferen

Moby Dick, door de Veenfabriek en Schauspielhaus Bochum. Gezien: Schouwburg, A’dam. Tournee t/m december. veenfabriek.nl

De makke van muziektheater is vaak dat de twee bestandsdelen elkaar eigenlijk dwars zitten. Zo ook in de voorstelling Moby Dick van De Veenfabriek en Schauspielhaus Bochum. De band stuwt de monologen van de acteurs voort en laadt de toeschouwer tussendoor op met filmische nummers. Het wisselt lekker af, maar het verband tussen de gejaagde soundtrack en de twijfelende personages is ver te zoeken.

Dapper is het om de twee Duitse acteurs Nederlands te laten spreken. Dat gaat ze redelijk af, maar de combinatie van een sterk accent, onvoldoende versterking en muziek erdoorheen, zit de verstaanbaarheid soms in de weg.

Verstaanbaarheid is ook niet het hoogste goed in deze mooi aangeklede voorstelling, met poëtische teksten van Vlaming Peter Verhelst, naar het boek van Melville over de jacht op de grote witte potvis. In Moby Dick ligt alles stil. De vier hoofdrolspelers dolen wat rond in hun levensfilosofie.

De vis, gespeeld door de Duitse Therese Dörr, mijmert over de onmetelijkheid van de diepe zee en spuit water omhoog. Een matroos, met schurende hese stem vertolkt door Reinout Bussemaker, voelt leegte, heimwee en het grote niets. Terwijl de stuurman, met flair en branie neergezet door Joep van der Geest, al metend en rekenend steeds op de machtige, mooie nul uitkomt.

De taal van Verhelst is sterk retorisch en gefragmenteerd, met veel prachtige, plastische metaforen en herhaling. Plottechnisch dobbert hij maar wat. De passie, om te doden, komt van de kapitein: „Als een harpoen werp ik me naar je toe.” Pas aan het einde hapt de vis toe.