De kater verdwijnt bij de eerste band deze foto is nog RBgb, het idee is dat je deze groot over de hele pagina kan doen.

De komende maanden is er in elke hoek van Europa een festival Waar heen te gaan? En waarom? Peter Zantingh is een echte festivalganger Ondanks de smerige toiletten en douches

redacteur nrc.nl

Uit allerlei hoeken van het terrein komt muziek. Mensen slenteren zonder haast om je heen. Het ruikt naar patat, opgedroogd bier en zonnebrand. Je haalt een verfomfaaid programmaboekje uit je zak en vouwt het om bij het blokkenschema.

Waar gaan we straks heen?

Op festivals dringt de buitenwereld niet door en dat bepaalt de stemming van iedereen die er is. Je kunt na drie dagen Lowlands naar buiten lopen en erachter komen dat de Eredivisie weer begonnen is. Je wist dat niet, want je was binnen de grenzen van het festival, waar niemand over het hek naar buiten kijkt. Je hoort geen auto’s langsrijden, leest geen kranten, krijgt geen e-mail. Als je een sms’je van je moeder krijgt, denk je: kijk nou, een berichtje uit Nederland, hoe zou het daar zijn?

Ik was achttien toen ik voor het eerst naar een festival ging. Pinkpop, 2001. Met mijn zusje. We ruilden ons kaartje – maandenlang zorgvuldig in een la bewaard alsof het een ticket naar de andere kant van de wereld was – in voor een polsbandje. Onze koepeltent paste net tussen de duizenden andere, op een stuk ongelijke grond waar het gras tot onze knieën kwam. We kochten een roze petje, net als twintigduizend anderen. We zagen Anouk, Tool, K’s Choice, Limp Bizkit. Op de laatste avond werd ik voor het leven verliefd op Radiohead.

Er volgde meer. De eerste keer Lowlands, met mijn eerste vriendinnetje. Rock Werchter, waar we een hele avond aan een picknicktafel zaten met een groep Belgen, die ons aarzelend vroegen of we ook ‘speciale sigaretjes’ rookten. Met twee vrienden stak ik een aantal jaren achter elkaar in het tweede weekend van augustus de grens over, naar het Duitse Haldern Pop. De Duitsers nemen hun hele huisraad er mee naar toe, ze zitten er op meegebrachte sofa’s en maken ‘s avonds een groot vuur op het gortdroge festivalgras, in het midden van die openluchthuiskamer. Uit bruine kratten komen flessen bier van een halve liter. Ze reiken het je aan, ook al ben je net toevallig aan komen lopen.

Natuurlijk, een festival is voor sommige mensen dat ene weekend waarin ze plotseling uitbundig kunnen zijn. Ze lopen in een kippenpak of drinken zich richting een coma. En natuurlijk, er zijn smerige toiletten en douches waarbij je drie kwartier in de rij moet staan voor anderhalve minuut onder een miniem straaltje. Dat is dan één muntje (2,30 euro).

Maar voor de meeste bezoekers is het festival juist de plek waar ze zichzelf zijn. Je omringt je daar met je echte vrienden: de mensen met wie je het drie dagen, op weinig slaap, kunt uithouden. En in die rij voor de douche heb je onverwachts tóch een goed humeur: je voelt de gedeelde smart, tussen al die anderen die hoofdpijn hebben van hetzelfde bier, zich net als jij vergaten in te smeren en stonden te springen bij hetzelfde concert. Terug bij de tent werk je met kleine oogjes een geplette krentenbol naar binnen terwijl op twee meter afstand een wildvreemde zijn lenzen in doet.

Het wonderbaarlijke van festivals is het levenselixer dat er uit de kraan lijkt te stromen. Katers die thuis een hele dag zouden kosten, worden overwonnen zodra de eerste band van de dag begint te spelen. Moeheid bestaat er, maar maakt gemakkelijk plaats voor hernieuwd enthousiasme. Voor een gevoel, bijna, van onoverwinnelijkheid.

Toen we op een editie van Haldern eens na drie dagen onze tent inpakten, zat naast ons een groep Nederlanders op tuinstoeltjes toe te kijken. We hadden ze in een paar dagen beter leren kennen dan onze buren thuis. Toen we alles in de auto hadden gepropt, lag er alleen nog een brood. Vooraf gekocht, maar niet aangeroerd – op een festival smeer je geen boterhammen. Ik schepte op dat ik het in een container zou gooien die dertig meter verderop stond. De buurjongens keken toe. Ik nam een aanloopje en slingerde de zak bovenhands richting de container. Hij zeilde door de blauwe lucht. Acht paar ogen waren erop gericht. Baf, raak. Omdat alles maar lukte. Lachend stapten we in en reden we weg.

Terug in Nederland stortte ik in. Het was een slopend weekend geweest, maar dat kon ik pas voelen toen ik er weg was.